Ik mocht hem wel

Adriaan Venema was, zo lees ik in de kranten van de afgelopen dagen, een mythomaan, een plagiateur, een oplichter, een hystericus, een tasjesdief, een fanaticus, een groot inquisiteur, een mislukt schrijver met een morbide instelling en nog zo het een en ander.

Maar ik mocht hem wel.

Ik bedoel: ik mocht hem, niet omdat hij zo'n interessant geval was, maar omdat hij op een half-naïeve manier ook iets bijzonder aardigs had. Hij was gul en zijn gevoel voor humor was dat van de onvervalste straatvechter: recht voor zijn raap, soms grof, maar wel altijd eindigend in een schouderklop of schaterlach. Verder bleef hij bovenmenselijk trouw, als je door te zwijgen liet merken wat je vond van het boek dat hij zojuist geschreven had. Ongetwijfeld had hij een masochistisch trekje in zijn karakter. In ieder geval beschikte hij over het vermogen om keer op keer een volksgericht te ontketenen dat zich vooral tegen hemzelf keerde.

Naar mijn idee lag zijn obsessie niet zozeer in de oorlog of in enig ander onderwerp, maar in het schrijven zelf. Dat was natuurlijk een ongelooflijke pech voor iemand die telkens te horen kreeg wat hij zelf ook al wist, namelijk dat hij geen groot schrijver was. Slapen deed hij weinig, 's nachts zat hij meestal achter zijn ouderwetse tikmachine. Dat was echt hameren, want het moest natuurlijk pijn doen. Op die manier heeft hij ook een paar boeken geschreven die zeer de moeite waard zijn, zoals de roman Lemmingen. Dat boek werd over het algemeen gunstig besproken, omdat de recensenten deze keer niet wisten wie de werkelijke auteur was. Venema had het onder pseudoniem geschreven.

Met zijn veel bekritiseerde slordigheid is trouwens iets eigenaardigs aan de hand. Je zou verwachten dat Venema, wanneer hij inderdaad zo slordig met de feiten was omgesprongen, een spoor van processen en kort gedingen had achtergelaten, maar dat valt mee. Integendeel, doorgaans was hij in de weergave van de feiten heel betrouwbaar, zoals ik in een enkel geval zelf heb kunnen constateren.

Toen ik bijvoorbeeld een paar jaar geleden ontdekte dat de Rijksdienst Beeldende Kunst geheel ten onrechte suggereerde dat de Koenigs-collectie door de Duitsers was gestolen - in werkelijkheid was zij vrijwillig door Van Beuningen met een aardig winstje verkocht - zocht ik op wat Venema in zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 over deze kwestie had geschreven. Het was een ingewikkelde transactie geweest, die door Venema heel precies is behandeld. Naar mijn schatting is het aantal feitelijke onjuistheden bij Venema niet significant groter dan bij Loe de Jong.

De slordigheid bij Venema zit hem ook niet zozeer in de weergave van de feiten, alswel in zijn stijl. Venema hield van schrijven, maar hij hield niet van zichzelf. Hoe je het ook wendt of keert, het is voor een schrijver van belang dat hij of zij verliefd is op wat hij of zij zelf voortbrengt. Een schrijver kijkt verliefd naar de zinnen die hij/zij geschreven heeft en probeert die nog mooier en eleganter te maken. Venema kon dat maar heel moeilijk opbrengen. Als het klaar was moest het weg, zoals sommige mensen de dwang hebben om het bord onmiddellijk na het eten van zich af te schuiven of aan de andere kant van de tafel neer te zetten.

Zo is het eigenlijk ook met zijn leven gegaan. Hij had het gevoel dat het klaar was, het was op, en toen moest het weg. Toen moest hij zelf weg. Daar was niet tegenin te praten, zoals zijn uitgevers er kennelijk ook niet in zijn geslaagd hem ervan te overtuigen dat hij zijn boeken moest laten redigeren.

Maar ik mocht hem graag. Het was een genoegen om te zien hoe hij de duurste kleren wist te dragen alsof zij door een landloper bij de vuilnisbak waren gevonden. Om zijn pols droeg hij een groot aantal horloges, zodat hij altijd wist hoe laat het was in Kaapstad en in Bogota. Dat zal het wel geweest zijn: hij had geen tijd tekort, hij had altijd tijd over.

Op de bewuste avond heb ik nog voor de deur gestaan, maar het was al gebeurd. Eenmaal weer thuis heb ik zijn nummer gedraaid, in de hoop via het antwoordapparaat nog een keer zijn stem te horen, maar hij bleek de lijn te hebben doorgesneden.

    • Max Pam