Het Nieuwe Bouwen terechtgewezen; Gedurfd pleidooi voor pluralisme in NAi

Stijl. Norm en handschrift in Nederlandse architectuur. NAi, Museumpark 25, Rotterdam. T/m 30 jan. 1994. Tweetalige catalogus, uitg. NAi, 360 blz. Prijs ƒ 75,-.

Nu Nederland na ruim een eeuw delibereren eindelijk een architectuurinstituut heeft, moet alles anders. Met zijn eerste tentoonstelling Stijl. Norm en handschrift in de Nederlandse architectuur ambieert het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) niets minder dan het herschrijven van de architectuurgeschiedenis van de afgelopen twee eeuwen.

Stijl is ambitieus, omvangrijk en fris op het onbesuisde af. Aangevoerd door samensteller Bernard Colenbander probeert een jonge garde architectuurhistorici zich te ontdoen van de morele oordelen waarmee sinds de opkomst van het Nieuwe Bouwen in de jaren twintig, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, naar de bouwkunst is gekeken. Ten onrechte, vinden zij, wordt de veelzijdigheid van de negentiende eeuw als 'verwarring' afgedaan: er heerste toen juist een weldadig pluralisme. Met de opkomst van het Nieuwe Bouwen in de jaren twintig kwam daaraan een eind. Een nogal rechthaberische, moralistische stroming, als we de samenstellers mogen geloven, door zijn exponenten niet als een bouwstijl beschouwd maar als een verheven levenshouding. “Deze sterke architectuurstroming pretendeerde de sleutel in handen te hebben naar een precies en onvermijdelijk, bij de moderne tijd aansluitende manier van bouwen,” aldus Colenbrander in zijn inleiding.

Tegen die pretentie van het morele gelijk ageren de tentoonstellingsmakers nu. Een architectonische stijl is geen uitdrukking van een levensbeschouwing, vinden zij, maar een kwestie van onderlinge afspraken en individuele keuzes. Om dit te bewijzen wordt op de tentoonstelling geen rode draad door de geschiedenis getrokken, maar een web geweven van 38 'momenten', gebouwen die typisch zijn voor een bepaalde stijl of denktrant. Uiteraard zijn daar bekende bakens bij als de Beurs van Berlage, de Van Nelle-fabriek (maar Zonnestraal niet, het Nieuwe Bouwen moet nu eens zijn plaats weten) en het kantoorgebouw van Centraal Beheer. Daarnaast krijgen nu ook minder bekende bouwwerken eindelijk aandacht, uiteenlopend van het neo-gotische stoomgemaal De Cruquius uit 1848 tot en met de bakstenen woningen op woonerven uit de jaren zeventig die als 'Nieuwe Truttigheid' de geschiedenis in zijn gegaan.

Naast de uitverkoren gebouwen worden ook voorwerpen en bouwwerken getoond die de architecten tot inspiratie dienden of - volgens de samenstellers van de expositie - met hun werk verwant zijn. Wim Quist leende het NAi een paar Finse manchetknopen, en Aldo van Eyck een schaal die sterk herinnert aan het dakenlandschap van zijn Burgerweeshuis.

Stijl bepleit niet alleen een herwaardering van de negentiende eeuw, maar ook de rehabilitatie van verschillende architecten en stromingen in deze eeuw die doorgaans worden gebagatelliseerd: het traditionalisme van Granpré Molière bijvoorbeeld, en de monumentale bakstenen werkstukken van de vooroorlogse architecten G. Friedhoff en J.F. Berghoef. Ten slotte wordt de hedendaagse architectuur in drie stijlen met bijbehorende representanten verdeeld: de romantische van Jo Coenen, de revolutionaire van Rem Koolhaas en de universele van Carel Weeber. De expositie sluit, opvallend genoeg, niet met architectuur maar met stedebouw, het masterplan van Kees Christiaanse voor een nieuwe wijk in de Rotterdamse Wijnhaven.

Suiker

Het NAi heeft bij zijn 'debuut' zeker niet de makkelijkste weg gekozen. Stijl is van een zeldzame breedte, diepte en durf, en eist met zijn bijna veertig kabinetten en vierhonderd objecten veel inzet van de bezoeker. Zowel de tentoonstelling als de voorbeeldige catalogus, een ontwerp van het bureau Joseph Plateau, laten een - relatief nog maar kleine - dwarsdoorsnede zien van de rijke collectie van het instituut, die uit maquettes, foto, tekeningen en meubels bestaat. Een vaste opstelling heeft het NAi niet. Voor deze tentoonstelling is er een curieuze maquette in bruikleen van Friedhoffs stadhuis van Enschede, geheel van suiker vervaardigd door een banketbakker die er tegenover woonde. Bijzonder mooi is het geschenk van een Rotterdamse maquettebouwer: Abraham van der Harts nooit gerealiseerde ontwerp uit 1814 van een monument voor Napoleon, een piramide van megalomaan formaat met een neo-classicistische colonnade en een gotisch interieur.

Inhoudelijk staat de tentoonstelling niet op zichzelf: de hegemonie van het Nieuwe Bouwen wordt al langer aan een revisie onderworpen. De Nederlandse inzending voor de Biennale voor architectuur in Venetië vorig jaar, 'Modernisme zonder dogma', behandelde de manier waarop tien jonge architecten met die erfenis omgaan. Het Architekturmuseum in Frankfurt organiseert drie tentoonstellingen waarin het traditionalisme, het Nieuwe Bouwen en de nazi-architectuur opnieuw worden onderzocht. En bij zijn afscheid als hoogleraar aan de TU Delft in 1990 nam Rem Koolhaas een van de heiligdommen van het Modernisme onder vuur, het Rietveld-Schröderhuis: “Het is vol kleur, of althans verf, het is vol abstracte toeters en vol gesublimeerde bellen. Je zou je kunnen afvragen of het inderdaad allemaal werkelijk zo bevrijdend is als de mythe van het modernisme in Nederland suggereert.”

Maar een web bestaat behalve uit draden, ook uit gaten. Discutabel is het gewicht dat aan het werk, en vooral de uitspraken, van Carel Weeber wordt toegedicht. Weeber heeft van de bestrijding van de romantiek een ware kruistocht gemaakt, tot aan de bewering toe dat alle bomen langs de Amsterdamse grachten moesten verdwijnen. Hier wordt hij geroemd omdat hij de statige, symmetrische plattegrond in ere zou hebben hersteld, bijvoorbeeld in zijn ontwerp voor de uitbreiding van het Stedelijk Museum. Maar de reikwijdte en betekenis van dit nieuwe academisme voor de architectuur nu, worden niet overtuigend aangetoond. In de praktijk is het pluralisme waar deze tentoonstelling een lans voor breekt, allang een feit: de uitvergrote kabouterhuisjes van Alberts & Van Huut (ontwerpers van voorheen de NMB-bank in Amsterdam) verspreiden zich als klonen door het landschap, en aan de helft van de Nederlandse bouwproduktie komt geen architect te pas.

Het slot van de expositie is onbevredigend. Nadat Stijl zich 36 kabinetten lang heeft beziggehouden met het doorbreken van kaders, worden er aan het einde plotseling nieuwe stilistische begrippen gelanceerd. De verdeling in romantisch, revolutionair en universeel wordt nauwelijks uitgewerkt, evenmin als de keuze om met stedebouw te eindigen. Kennelijk is niet de architectuur, maar de stedebouw de uitdaging van de toekomst. Maar de bezoeker blijft beduusd achter met de vraag of al het voorgaande, dat zo vurig pamflettistisch leek, hiermee niet krachtig gerelativeerd wordt tot gekibbel in de academische marge. Stijl eindigt niet met een punt, maar met een komma.