Het duivelsplot van God; Het anti-katholieke evangelie volgens Jose Saramago

José Saramago: Het evangelie volgens Jezus Christus. Vert. Harrie Lemmens. Uitg. Arbeiderspers, 387 blz. Prijs ƒ 49,90

De kindermoord in Bethlehem komt maar in één evangelie voor. Lucas zwijgt erover, Marcus en Johannes slaan Jezus' geboorte en kindertijd simpelweg over. Alleen Mattheüs vertelt van Herodes' angst voor een rivaliserende kroonpretendent en zijn bloedige tegenmaatregel. Een machtspolitieke verklaring is hem niet genoeg, het raadsbesluit Gods moet erin zichtbaar worden. 'Toen werd vervuld', schrijft hij, 'het woord, gesproken door de profeet Jeremia (-): Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.'

Voor de evangelieschrijver is het een ondergeschikt verhaal, maar in het alternatieve evangelie van de Portugese auteur José Saramago zet die moordpartij alles in beweging. Voor hem tellen dan ook niet allereerst de goddelijke plannen en raadsbesluiten. Wat heeft Rachel, model van alle vrouwen in Bethlehem, met de goddelijke geschiedenis van doen? Wat haar aangaat zijn haar dode kinderen: aardse, geen hemelse zaken. En, schrijft Saramago, van aardse zaken wordt de enig mogelijke geschiedenis gemaakt.

Het evangelie volgens Jezus Christus is niet het verhaal van de verlossing van de mensheid, maar van het duivelsplot van een machtsbeluste God die met kille strategie een wereldhistorisch schaakspel speelt. Hij kijkt niet op een offer meer of minder, en zijn eerste slachtoffer is Jezus zelf, een timmermanszoon die hij uit expansiedrift en berekening voor zijn eigen Zoon laat doorgaan.

Want God is ontevreden. Heer te zijn over een middelgroot herdersvolk voldoet hem niet langer. Hij wil de hele mensheid, een universele religie, en een goddelijke martelaar zou daartoe wel dienstig zijn. In een besloten conferentie tussen Jezus, de Duivel en hemzelf, dobberend in een vissersboot op het Meer van Tiberias, zet hij zijn plannen uiteen. Zijn macht is onontkoombaar, zijn argumenten onweerlegbaar, zijn denkwereld die van de leider van een internationaal syndicaat. En zover, suggereert Saramago met onverholen anti-katholiek sarcasme, is het in de geschiedenis inderdaad gekomen.

Al in zijn eerder verschenen, internationaal succesvolle roman Memoriaal van het klooster heeft hij de arrogantie van de macht geportretteerd. In een prachtig historisch panorama van het achttiende-eeuwse Portugal liet hij zien hoe een vorst God kon beloven een klooster te bouwen in ruil voor een troonopvolger en hoe de bevolking minstens één generatie lang onder de consequenties van die belofte moest zuchten.

Het evangelie volgens Jezus Christus is het logische en toegespitste vervolg van die kritiek. Want de macht van God en de menselijke gehoorzaamheid daaraan zijn de modellen van alle macht, en die is onontkoombaar corrupt.

Die boodschap is Saramago niet in dank afgenomen. Het boek werd door het Portugese ministerie van cultuur geweigerd als inzending voor de Europese literatuurprijs. Het was niet in overeenstemming met de waarden die het land wil uitdragen, vond men.

Ongetwijfeld had men daarbij allereerst de godsdienst op het oog. Een enigszins sukkelige Josef kon in het gebruikelijke evangelie-verhaal misschien nog wel worden ingepast, maar een simpele, steeds kribbiger wordende Maria (moeder van negen kinderen), een tegen God rebellerende Jezus en vooral een Godfather als Heer van de schepping kwetsten de christelijke gevoelens diep. Maar Saramago's mes snijdt verder. Het keert zich tegen elk automatisme dat de kleine geschiedenissen opoffert aan de grote, en zich daarvoor met grote woorden legitimeert.

Saramago schuwt die grote woorden. Hij blijft laagbijdegronds en beschrijft de lotgevallen van zijn schlemielen met de droog-komische ironie van het volksrealisme dat weet dat een dubbeltje nooit een kwartje zal worden. Dit volk leeft bij vuistregels en de regels van de Wet, die door de mannen met een hilarisch weergegeven ernst tot in het absurde wordt uitgeplozen, en bij iedere handeling aanleiding geeft tot het prijzen van de Heer.

Maar in dat gelaten realisme schuilt voor Saramago de scherpste angel van de macht. God heerst omdat hij gedachteloos geprezen wordt en omdat voor Josef en al zijn lotgenoten intussen het hemd nader is dan de rok. Zo haast Josef zich na de plannen voor de kindermoord gehoord te hebben zijn eigen zoontje in veiligheid te stellen, zonder alarm te slaan en de tragedie te voorkomen. “Hij heeft er niet aan gedacht. Hij is een goed mens”, zo verdedigt Maria hem later tegenover een engel die haar verschijnt. “De misdaden van goede mensen zijn ontelbaar en het zijn de enige die niet vergeven kunnen worden,” antwoordt deze.

Saramago's moraal is even veeleisend als die van Sartre: ook de passieve acceptatie is verantwoordelijk, en niet minder schuldig. Het is die schuld - Jozefs erfenis - die Jezus later tegen God in opstand zal brengen. Hij tracht diens plannen te frustreren door zich als politiek oproerling, niet als Messias te laten kruisigen. Dat heeft niet mogen baten, weten we nu.

Zo rekent Saramago in een laconiek voortsloffend (en door Harrie Lemmens sprankelend vertaald) verhaal af met een religieuze en een politieke traditie, die geen van beide in staat zijn gebleken hun interne tegenstrijdigheden op te lossen. Waar komt het kwaad vandaan, als God almachtig èn de goedheid zelf is, vragen theologen zich al twintig eeuwen af, zonder ooit een bevredigend antwoord te hebben gevonden. Hoe wordt voorkomen dat het bestuur vervalt in de arrogantie van de macht, stilzwijgend gedragen door de sleur en het directe eigenbelang van het volk, vraagt de politieke theorie al bijna even lang. Het antwoord van de communist Saramago op die laatste vraag is in dit boek, rechtlijniger en minder barok dan Memoriaal van het klooster, ondubbelzinnig: door verzet.

Maar het is een hopeloos verzet. Gods web is te sterk, en Jezus is reddeloos ingesponnen sinds hij één keer een knieval maakte en de Heer een schaap offerde. En wie maakt in zijn leven nooit een knieval? De Portugese democratie moet het, in Saramago's ogen, sinds de Anjerrevolutie té vaak hebben gedaan. Misschien ademt dit ontgoochelde evangelie daarom eerder een anarchistische dan een communistische geur, even radicaal als wanhopig. Het laat als brenger van het slechtst denkbare nieuws, ondanks de hilarische, ironische toon, tot slot alleen nog ruimte voor bitterheid.