Heel Nederland is een decor; De gevaren van theater op locatie

Steeds meer theatermakers spelen hun produkties liever in een verweerde fabriekshal of autosloperij dan in een schouwburg. Maar de geheimzinnige plek biedt vaak meer avontuur dan de voorstelling zelf. Zijn de bizarre locaties meer dan een vrijbrief voor betekenisloos theater?

Spelen met ruimte. Locatietheater in Nederland. Theater Instituut, Herengracht 168, Amsterdam. T/m 13 febr. 1994. Catalogus ƒ 5,-.

Steeds vaker gebeurt het dat de theaterbezoeker zich gewapend met een routebeschrijving en plattegrond naar de uithoeken van Nederland begeeft. Eigen vervoer of trein en bus zijn noodzakelijk om aan de rand van de stad een vervallen fabriek te vinden, of in de verlatenheid van het land juist die ene boerenschuur of die broeikas waar een toneelgezelschap is neergestreken - en waar dus gespeeld gaat worden.

Het gaat hier om theater op locatie, een ernstige benaming voor toneel dat bloeit ver weg van de schouwburgen van de grote steden met hun onwrikbare lijsttoneel, de fluwelen zetels, de gerieflijke foyer met de drankjes en het vertrouwde publiek. Bevinden schouwburgen zich altijd in het warme kloppende hart van de stad, veelal aan een plein met lichtjes, theater op locatie is te zien waar nooit eerder sprake van toneelspel was. De sluis in het hartje van Zaandam bijvoorbeeld diende eens een voorstelling tot decor, evenals een moutfabriek in Vlaanderen, een autosloperij in Noord-Holland, een zwembad in Alkmaar, het landgoed Waterland in Velsen-Zuid, Fort Kijkduin aan zee bij Den Helder, kerken en pakhuizen zijn geliefd, slooppanden, zelfs een naargeestige entourage als de visafslag van Scheveningen.

Toneel is meer dan met een tekst gestalte geven aan karakters. Er is ook de wisselwerking tussen omgeving en acteur, tussen toeschouwer en ruimte, tussen taal en plaats van handeling. Een autosloperij aan een verlaten straatweg roept heel andere associaties op dan de met een geur van heiligheid omgeven bonbonnière aan het Leidseplein. Ik herinner me van enkele jaren terug een uitvoering van Prometheus van Aeschylos door theatergroep Hollandia in zo'n sloperij. Een oord voor een lustmoord, die plek. Talloze autowrakken vinden er hun laatste bestemming. Sporen van het onherroepelijke ongeval is aan het verwrongen ijzer af te lezen. Een boom, een verbrijzelde voorruit, een slippartij gevolgd door een koprol. Het is luguber wat zich aan associaties aandient. Onvermijdelijk gaat de toeschouwer fantaseren over het verleden van deze wagens, over het onheil dat de inzittenden trof, en hij of zij voelt een vlaag van droefenis door zich heentrekken.

En boven het oude Fort Kijkduin zweefden ooit, op een blauwe zondagmiddag, vredig de meeuwen en sterntjes. Vervolgens zag ik, ook door Hollandia, in de schemerduistere catacomben van het Fort de gewelddadige, rauwe voorstelling Körperbrennen van Achternbusch. Eenmaal terug in het daglicht leek er een schaduw over het duinlandschap te zijn gevallen. Het wrede en dreigende dat onder de grond heerste, had zich meester gemaakt van het bovengrondse.

Hete koffie

Gezelschappen die uit vrijheidsdrang de veilige beschutting van de schouwburg inwisselen tegen de ontberingen van onbekende speelplekken zijn niet nieuw. In 1985 werd in Zaandam het gezelschap Hollandia opgericht, dat sindsdien een ware speurtocht door westelijk Nederland achter de rug heeft op zoek naar plaatsen die tot de verbeelding spreken. Dat is vaak een zwarte, sombere verbeelding. Toeschouwers van Hollandia-voorstellingen keren steevast terug met verhalen over de kou die tot in hun botten kroop, over de geur van paardedekens die ze om hun benen sloegen en de zwiepende regen tegen de ruiten van de bouwvallige accomodatie. De opwinding van de tocht erheen, van het wonderlijke verschijnsel dat er zomaar in de middle of nowhere hete koffie in plastic bekertjes te verkrijgen is, overschaduwt vaak het avontuur dat de voorstelling moet bieden.

Ook een gezelschap als het bewegingstheater Bewth zoekt sinds enkele decennia inspiratie daar waar nooit eerder een theatermaker is geweest. De architectuur van een kerk, een loods of een zuiveringsinstallatie zoals die in de Amsterdamse waterleidingduinen geven de groep de gelegenheid de ruimte 'theatraal' te verkennen. Bij Bewth is het gebouw vaak de hoofdpersoon, en zijn de dansers, gevangen in het licht van schijnwerpers, als het ware de gidsen die de blik van de toeschouwers sturen. Dank zij hun plotse aanwezigheid aan de voet van een pilaar of hoog in een nis zien wij de robuuste rankheid of de ijle diepte van een kerk voor het eerst. Niet alleen de dansers bewegen zich door de ruimte, ook mobiele tribunes zorgen ervoor dat de toeschouwers op ontdekkingsreis gaan door nieuw en nooit eerder bezocht terrein. Dat geeft een bijzondere ervaring. Ik kan me dan ook een aantal voorstellingen van Bewth en Hollandia, en van het Griftheater en Shusaku & Dormu Dance Theatre, herinneren. Kennelijk laten de beelden van in duisternis gehulde en door lichtbundels doorkruiste speelruimtes waar 'iets gebeurde' zich niet snel uitwissen.

De vraag is: wat gebeurde er dan? De vraag is ook of een bizarre locatie niet zelden een vrijbrief is voor betekenisloos en leeg theater. Er is namelijk altijd wel iets anders te zien dan de voorstelling zelf. Zo heb ik eens een kwartier lang een elektriciteitskast inclusief het geordende patroon van de bedrading in een fabriekshal bestudeerd, om tot het onherroepelijke besluit te komen dat ik kennelijk hiervoor op weg was gegaan. Locatie-voorstellingen in de avondlijke of zelfs nachtelijke buitenlucht hebben weer hun eigen charme. Er zijn de sterren, de maan achter jagende wolken, en wiekte daar niet op geluidloze vleugels een uil voorbij?

Een gezelschap als Bewth wil nogal eens verzanden in precieuze esthetiek zonder dwingende, innerlijke noodzaak. Bij Hollandia speelt de aardse, fysieke speelstijl van acteurs en actrices met veelal ontbloot bovenlichaam zo'n overheersende rol, dat de toeschouwer ruimte van denken wordt ontnomen. Een straatgezelschap als Dogtroep verandert straten en pleinen in de stad in surrealistische werelden. Dan is er nog Tender dat, eveneens op straat, de normale gang van zaken wil ontregelen. In de Leidsestraat stortte zich zomaar op een dag een jonge bruid voor de tram, want haar bruidegom was ervandoor met een ander. Een doeltreffend in scène gezette wanhoopsdaad die voor heel wat deining in de winkelstraat zorgde.

Nederland als decor

Het Amsterdamse Theater Instituut probeert met de expositie Spelen met ruimte het verschijnsel locatie-theater in kaart te brengen. Afgelopen seizoen speelden zich zo'n zestig voorstellingen buiten de geijkte plaatsen af. Heel Nederland lijkt wel het decor voor een voorstelling te zijn geworden, en wie goed om zich heen kijkt, met de blik van een theatermaker, kan zich op elke straathoek of in zijn eigen schuurtje wel een vertoning indenken. Sinds er acteurs waren voor wie een kippenhok een welkome plek was, bestaat er geen beperking meer.

De geschiedenis van toneel dat losbreekt uit de lijst begint, in Nederland althans, met happenings en straattheater in de jaren zestig. Wim T. Schippers gooit in 1963 bij Petten een flesje limonade in zee en verklaart deze daad tot kunstwerk. Theater, performance of eenvoudigweg feestelijke gekte liggen dicht bij elkaar. In dezelfde tijd verandert Amsterdam, en vooral het Lieverdje op het Spui, in een toneeldecor. Een politiek gezelschap als Sater bezocht scholen en fabrieken; het Werktheater ging naar ziekenhuizen. Zij waren, ongetwijfeld onwetend, de voorlopers van het huidige locatie-theater.

Op de expositie zijn de hoogtepunten van deze onstuimige gebeurtenissen op fotocollages en video's te zien. Een coherent beeld krijgt de bezoeker echter niet. Een leidraad, een achterliggende visie, ontbreekt. Theater buiten de toneellijst lijkt een reeks van incidenten, waarvan de ontwikkeling in zo'n dertig jaar nauwelijks in woorden is te vangen; er is zelfs geen poging toe gedaan. Soms is het een financiële reden die theatermakers naar slooppanden of pakhuizen brengt, waaraan dan nog het nodige vertimmerd moet worden. Meestal is een artistieke overtuiging in het geding. Men wil puur theater, dicht bij de elementen. De binnenhuisarchitectuur van de reguliere schouwburgen is te benauwend.

Als er een aspect opvalt, dan is het de overdaad van hevig, fantasie- en kleurrijk, rauw en aards toneel. Zand, steen, lucht, geweld, modder vormen de ingrediënten van deze voorstellingen, die vaak het karakter van een ritueel aannemen. Degenen die op locatie gaan acteren, hebben een opzienbarende voorkeur voor dood, verval, verderf, bloed en zweet. Het hoog opgewaaide zand in Fort Kijkduin stimuleerde de acteurs zich ermee te bedekken, het over hun lichaam te laten glijden of er al vechtend in rond te woelen.

Niet na te vertellen

Er gebeurt veel op die geheimzinnige plekken, maar te duiden is het nauwelijks. Het verhaal navertellen, zo er al sprake is van een verhaal, is onmogelijk. De toeschouwer dient het schouwspel over zich heen te laten komen, en naar gelang de kracht ervan raakt hij gefascineerd, bedwelmd, geïntrigeerd of ook verveeld. In de catalogus bij de expositie staan tientallen voorstellingen summier beschreven. Wat ik nu lees over de voorstellingen die ik eens met eigen ogen zag, is zoiets als een landkaart vergelijken met het echte landschap. Elke sensatie of verwondering is vervlogen, en wat eertijds boeide verbleekt nu tot iets willekeurigs.

Zo bracht Bewth in de Hollandsche Manege aan de Amsterdamse Overtoom een voorstelling uit. Wat gebeurde daar in 1976? Het volgende, aldus de catalogus: “Op de tribune is plaats voor 150 toeschouwers. Voor iedereen ligt een deken klaar. Overal hangt de lucht van paarden, maar aan de voorstelling komt geen paard te pas. De beelden en bewegingen roepen een magisch-realistische sfeer op. Drie worstelaars worstelen in een lichtkring in het zand. Vier naakte meisjes met lieslaarzen lopen rond. Vijf manshoge witte puntmutsen bewegen door de ruimte. Putdeksels, die onder het zand verborgen liggen, worden naar boven getrokken en verdwijnen in de nok van het gebouw. Een regenbuitje stroomt van de dakspanten naar beneden. Aan het einde van de voorstelling wordt het publiek thee geserveerd. Door butlers in witte jasjes.”

Verbijsterd vraag ik me af wat de zin van dit alles is geweest. Waarom wèl gespeeld in een manege zonder dat er een paard aan te pas komt? En als je de putdeksels door trottoirtegels zou vervangen, zou dat veel verschil in het visuele of dramatische effect uitgemaakt hebben? Wat doen die worstelaars daar, behalve zich uitleven in het zand? En de lieslaarzen van de meisjes, behalve terwille van het erotische effect? Want zand is geen water. Dus zijn laarzen overbodig.

Vragen als deze zijn volop te stellen aan spektakels op locatie, niet alleen aan die ene voorstelling van Bewth uit het verleden. Ook wat ik zojuist heb gezien, kan me voor raadsels plaatsen. Vaak is de verbeeldingskracht van de makers te tomeloos en te particulier om toegang tot hun wereld te krijgen. Zo is het gissen geblazen naar de noodzaak van uit het zand opgetakelde putdeksels of rondlopende puntmutsen. Duister is ook de innerlijke samenhang. Was de voorstelling wezenlijk veranderd indien de puntmutsen na de putdeksels kwamen? Niet alleen Bewth, ook elk ander project ontsproten aan de overrijpe fantasie van de makers mag streng worden getoetst. Opdat we ons niet laten verblinden door de opwinding voor het eerst van ons leven een verweerde fabriekshal, een waterzuiveringsinstallatie of de Hollandsche Manege te betreden.

Repertoiretoneel

Het is niet terecht alle theater op locatie, van Bewth tot Hollandia, onder een noemer te brengen, zoals de expositie wil. Hollandia verschilt wezenlijk van alles wat voorafging. Een voorstelling van Bewth heeft vaak iets van speurend freewheelen door een ruimte, die architectonisch even raadselachtig als verleidelijk is. Een plek om te veroveren, met dans, lichtbundels en muziek. Maar zonder taal. Theatergroep Hollandia speelt nadrukkelijk repertoiretoneel op locatie. Teksten van Aeschylos, Heiner Müller, Antonin Artaud, Pasolini, Louis Ferron, Georg Büchner, Herbert Achternbusch en veel anderen klonken op de herfst- en winteravonden van het toneelseizoen in de desolate wijkplaatsen die het gezelschap uitkoos.

Met Hollandia is het klassieke toneel uit de lijst van de schouwburg weggetoverd naar het platteland of het industrieterrein. Is koude in de schouwburg gesuggereerde kou, voorgesteld door neerdwarrelende wattepropjes, bij Hollandia is kou verstenende koude. Voor de acteurs, en ook voor de toeschouwers. Suggestie heeft plaats gemaakt voor de onmiddellijke ervaring. De toneelliteratuur blijkt sterk genoeg om de ontvoering uit de toneellijst naar afgelegen oorden te kunnen verdragen.

Vanaf nu moet iedereen die op een willekeurige avond langs de schouwburgen van de theatersteden loopt beseffen dat, wanneer er op die avond niets in de schouwburg is te doen, er misschien dertig of honderd kilometer verderop een Shakespeare gaat, een Tsjechov of een Tennessee Williams. De laatste vraag is alleen: hoe weet de voorbijganger dat, die juist die avond de weldadige warmte van een schouwburg zoekt? Hij of zij komt er niet achter. Met toneelvoorstellingen op locatie is het theater overal, en vaak onvindbaar. Van het hart van de stad moeten we door verre omstreken naar onbekende plaatsen. Dat is niet eenvoudig. De routebeschrijvingen en plattegronden liggen niet voor het oprapen. Het theater is uit de bocht gevlogen. Maar voor wie zoekt wacht het avontuur van de reis erheen.