'Goede sfeer' weegt meer dan Gods woord

AMERSFOORT, 5 NOV. Ze komen niet meer voor de psalmen, maar wel voor de goede sfeer. Dit is de conclusie van een onderzoek naar de motieven van ouders om hun kinderen naar een protestants-christelijke middelbare school te sturen.

Voor het onderzoek, waarvan de resultaten gisteren werden gepresenteerd op een symposium in Amersfoort, werden 663 ouders ondervraagd met kinderen in de eerste klassen van een protestants-christelijke middelbare school. Van hen waardeerde 66 procent vooral de vormende waarde van het christelijk onderwijs, slechts 20 procent noemde de verkondiging van Gods Woord als motief voor hun schoolkeuze. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum (CPS) door het instituut voor didactiek en onderwijspraktijk van de Vrije Universiteit.

Ruim de helft van de ouders (54 procent) gaf aan dat de sfeer op een protestantse school en de “visie op mens en samenleving” ervoor pleiten kinderen naar een protestants-christelijke school te sturen en niet naar een openbare. De centrale rol van het vak godsdienstonderwijs is voor 39 procent van de ouders een factor van belang, gevolgd door de aandacht voor christelijke feestdagen (38 procent), het gebed (35 procent) en het zingen van psalmen (16 procent). Vergelijkbaar onderzoek in 1973 gaf als belangrijke overwegingen het bidden op school (61 procent), het zingen van psalmen (52 procent) en het vieren van christelijke feestdagen (52 procent).

Als belangrijke waarden die de school moet overbrengen op hun kinderen noemden de ouders vooral 'respect voor de medemens, ongeacht sekse, ras en godsdienst', 'zelfdiscipline' en 'samenwerking en collegialiteit'. Bijna 60 procent van de ouders vindt dat er op school moet worden gepraat over onderwerpen als het milieu, seksuele voorlichting, druggebruik, ontwikkelingshulp en het bewerkstelligen van vrede in de wereld.

Uit het onderzoek blijkt ook dat ouders veel meer dan in 1973 onderling en met hun kinderen praten over de schoolkeus. Twintig jaar geleden overlegde 50 procent daarover met hun partner (nu 85 procent), 45 procent met de kinderen (nu 85), 46 procent met mensen uit het onderwijs (nu 37) en 12 procent met andere ambtsdragers (nu 3 procent). Daarbij wordt ook meer dan in 1973 gepraat over het werk van de kinderen, de lesmethodes en de schoolkeuzemogelijkheden, en iets minder over het christelijk karakter van de school. Vergeleken met twintig jaar geleden beslissen ouders en kinderen nu veel meer samen over de schoolkeuze: in 1973 was in 75 procent van de gevallen de wens van de ouders doorslaggevend, nu is dat teruggelopen tot 28 procent.