Gemotiveerde patiënten de dupe van nieuwe Krankzinnigenwet

Als alles volgens plan van het parlement verloopt, gaat er in het leven van tienduizenden Nederlanders per 1 januari 1994 veel veranderen. Per die datum vervalt namelijk de Krankzinnigenwet uit 1883.

Na meer dan twintig jaar discussiëren in het parlement treedt per 1 januari de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) in werking. Anders dan de naam van de wet doet vermoeden, heeft zij ook betrekking op sommige bewoners van verpleeghuizen en zwakzinnigeninrichtingen.

Bijzondere opnemingen komen aan de orde als de betrokkene niet vrijwillig wil worden (of is) opgenomen en er sprake is van gevaar ten gevolge van een geestesstoornis. Dat wil zeggen, gevaar voor zichzelf of anderen, en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. De nieuwe wet introduceert enkele grote verbeteringen in vergelijking met de huidige wet. Ik noem er enkele. Het klachtrecht van personen in de psychiatrische ziekenhuizen wordt geregeld en het behandelplan, waarin de afspraken zijn vastgelegd die de patiënt met zijn behandelaar heeft gemaakt, is in de wet opgenomen. Behandeling zonder toestemming is niet meer toegestaan. Voorts is geregeld dat de betrokkene recht heeft op een schadevergoeding, indien de burgemeester ten onrechte een last tot inbewaringstelling heeft gegeven of indien de officier van justitie of de rechter een fout hebben gemaakt, en de betrokkene daardoor is benadeeld.

De nieuwe wet biedt echter ook grote onduidelijkheden op een aantal essentiële punten. Allereerst wordt de toegang tot de rechter ingeperkt. Onder vigeur van de oude Krankzinnigenwet kon iemand die opgenomen wilde worden, omdat hij gevaarlijk was of zou kunnen worden, zich rechtstreeks tot de rechter wenden. Datzelfde recht hadden ook de echtgenoot, de ouders en de kinderen van de betrokkene. De rechter ging na zo'n verzoek in gesprek met de betrokkene, zijn advocaat, de verzoekers van de rechterlijke machtiging en de psychiater. In dat gesprek moest de psychiater aangeven, of er sprake was van een geestesstoornis, of die geestesstoornis gevaar veroorzaakte, en of opname in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk was om het gevaar af te wenden. De rechter oordeelde vervolgens of aan alle criteria was voldaan. Ter plekke kon dan de rechterlijke machtiging worden bevolen.

De nieuwe wet schaft echter de mogelijkheid af dat de betrokkene of zijn naasten de rechter zelf via een eenvoudig briefje benaderen. Alle contacten moeten voortaan via de officier van justitie lopen. De officier functioneert dus officieel als sluis. Dat leidt tot een tweede onduidelijkheid, want de officier krijgt daarmee ook de functie van rechter.

Een voorbeeld. De ouders van een psychotische zoon, die onder invloed van stemmen in hun ogen gevaarlijk gedrag kan gaan vertonen, besluiten dat het voor hem het beste is als hij wordt opgenomen. De ouders kunnen de verzorging niet goed meer aan. Hun zoon is echter niet bereid zich vrijwillig te laten opnemen. Op grond van de nieuwe wet kunnen zij dus niet meer zelf vragen om een rechterlijke machtiging. Zij moeten een dergelijk verzoek bij de officier van justitie indienen, die volgens het nieuwe wettelijke systeem bij de rechter een vordering moet indienen om een rechterlijke machtiging te geven.

Echter, de nieuwe wet kent aan de officier de bevoegdheid toe zelf te beoordelen of hij de rechter een dergelijk verzoek zal overbrengen. In art. 6 bepaalt de wet dat de officier de rechter niet hoeft te benaderen als hij het verzoek van de ouders “kennelijk ongegrond acht”. Hier geeft de wetgever aan de officier dus een taak, die bij de rechter thuis hoort. De officier dus als rechter.

Bovendien wordt niet vermeld welke stappen de officier moet nemen alvorens hij tot zijn beslissing komt. Moet hij eerst de ouders voor een gesprek uitnodigen? Neemt hij contact op met de psychiater van de betrokkene of met betrokkene zelf? Of beslist hij louter op basis van het schriftelijk verzoek van de ouders?

Het is de omgekeerde wereld dat de wetgever een dergelijke rechterlijke bevoegdheid aan de officier van justitie toekent. Merkwaardig genoeg overweegt diezelfde wetgever naar aanleiding van de voorstellen van de commissie-Moons tot herziening van het Wetboek van Strafvordering om aan de rechter een taak van de officier van justitie toe te delen. In die voorstellen mag de rechter op de strafzitting de beschuldiging van de officier aan het adres van de verdachte wijzigen, als de rechter meent dat uit het verhoor blijkt, dat de officier eigenlijk een ander wetsartikel aan zijn beschuldiging ten grondslag had moeten leggen. De rechter funcioneert daar dus als officier.

Een derde onduidelijkheid is dat in de nieuwe wet geen recht van beroep voor verzoekers van de rechterlijke machtiging is geregeld. Stel dat de officier het verzoek van de ouders om hun psychotische zoon met een rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis te laten opnemen, afwijst. Wat staat de ouders dan te doen? Wanneer zij bij de officier een nieuw verzoek indienen, kan hij dit gemakkelijk naast zich neer leggen, tenzij zich nieuwe feiten voordoen. Wat kunnen de ouders doen na een afwijzende beslissing van de officier? Is het de bedoeling dat zij naar het gerechtshof stappen en analoog aan de regeling van art. 12 van het wetboek van strafvordering zich bij het hof beklagen over het stilzitten van de officier? Kunnen de ouders het hof verzoeken de officier opdracht te geven de rechter te benaderen?

De nieuwe wet zwijgt in alle talen en laat verzoekers van een rechterlijke machtiging op dit punt in onzekerheid. Gezien de overbelasting van de officieren van justitie en hun personeel, en de strafrechtcultuur op het parket, is het onlogisch dat de wetgever de rol van de officier van justitie in de nieuwe wet heeft opgeschroefd. Het is wenselijk de toegang tot de rechter te handhaven, en de officier van justitie voor het overige meer als doorgeefluik te laten functioneren dan hem de sluisfunctie toe te kennen.

Dan blijft nog het punt van het heenzenden van patiënten. In het strafrecht kennen we de dramatische gevolgen van het gebrek aan celruimte. De officier van justitie is daar genoodzaakt sommige verdachten van strafbare feiten heen te zenden, ondanks het feit dat zij volgens de rechter in een Huis van Bewaring thuishoren. Ik vrees dat zich een soortgelijke situatie in de psychiatrie kan gaan voordoen.

Indien de rechter besluit dat iemand met een rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden opgenomen, dan zorgt de officier van justitie voor de tenuitvoerlegging van die beslissing. De beslissing van de rechter kan niet meer worden ten uitvoer gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen, aldus art. 10.

Sommige patiënten zijn als gevolg van hun geestesstoornis lastig in de omgang. Zij kunnen agressief zijn en behoeven extra aandacht van het verplegend personeel. Door de hoge werkdruk zijn dergelijke patiënten in de inrichtingen niet erg geliefd, omdat andere taken van het personeel blijven liggen. Het is dus niet denkbeeldig dat een psychiatrisch ziekenhuis er niet happig op is een dergelijke patiënt, die van de rechter een machtiging heeft gekregen, op te nemen. In zo'n geval moet de officier van justitie met die patiënt langs de inrichtingen gaan leuren om opname te bewerkstelligen. Indien de psychiatrische ziekenhuizen vol zijn doet zo'n situatie zich ook voor met elke nieuwe patiënt.

Art. 10 regelt dat de officier van justitie een psychiatrisch ziekenhuis kan bevelen een patiënt op te nemen, als het in de eerste week na de dagtekening van de beslissing van de rechter nog niet tot plaatsing is gekomen. Het ziekenhuis is dan wettelijk verplicht de betrokkene op te nemen, wat ertoe kan leiden dat de geneesheer-directeur van een vol psychiatrisch ziekenhuis een plaats voor de betrokkene moet vrijmaken. Net als de officier van justitie in het strafrecht, zal de geneesheer-directeur in zijn patiëntenbestand moeten nagaan welke patiënten met het minste bezwaar kunnen worden heengezonden.

Ik vrees dat allereerst in de categorie van vrijwillig opgenomen patiënten zal worden gekeken. De geneesheer-directeur staat hier voor een diep ingrijpende beslissing. Een vrijwillig opgenomen patiënt is veelal gemotiveerd om behandeld te worden en het is ook schrijnend indien zo'n patiënt zijn behandeling niet kan afmaken en wordt heengezonden.

Gelet op de toename van mensen met psychische problemen, de bezuinigingen in de psychiatrie en het personeelsgebrek is het niet uitgesloten dat er zich akelige verwikkelingen bij dit vroegtijdig heenzenden van patiënten zullen gaan afspelen. De uitvoering van de wet moet binnen drie jaar worden geëvalueerd. Blijkbaar voelde de wetgever zelf ook al aan dat de kans bestaat dat zijn produkt niet optimaal toegesneden is op de praktijk.

    • Boris O. Dittrich