Flexibilisering

Het systeem van aanvullende pensioenen moet op de helling omdat het onvoldoende aansluit op de individuele wensen van de werknemer. Dit stelde de werkgeversorganisatie NCW eind september bij de publikatie van een nota over aanvullende pensioenen. Het standpunt dat aanvullende pensioenregelingen te star zijn is langzamerhand gemeengoed geworden. In de Nota aanvullende pensioenen van juni 1991 merkt het kabinet al op dat aanvullende pensioenregelingen geen rekening houden met persoonlijke voorkeuren van individuele deelnemers. Voor het Kamerlid Groenman (D66) was dit reden om vorig jaar een motie in te dienen waarin zij constateert dat de bestaande collectieve aanvullende pensioenregelingen onvoldoende recht doen aan eisen van flexibilisering en individualisering. Zij verzoekt de regering te inventariseren in hoeverre de wetgeving collectieve pensioenregelingen belemmeren bij individuele produktdifferentiatie. De inventarisatie is er nog niet, maar een aantal aspecten bij flexibilisering is toch wel duidelijk.

Zo is inzicht ontstaan in de redenen voor flexibilisering. Deze liggen in ontwikkelingen in de arbeid in combinatie met ontwikkelingen in leefpatronen van mensen. Denk aan de toename van flexibele arbeidsrelaties, de vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen, de groei van deeltijdarbeid, de vergrijzing van de beroepsbevolking, de toename van alleenstaanden, alsmede tweeverdieners.

Uit deze opsomming van ontwikkelingen vloeit vervolgens een aantal mogelijkheden voor flexibilisering voort. Ten eerste ten aanzien van het pensioensysteem. Het kabinet stelt zich in de Nota aanvullende pensioenen op het standpunt dat eindloonregelingen (waarbij het pensioen is gekoppeld aan het laatste salaris) geënt zijn op arbeidsmarktpatronen uit de jaren zestig: voornamelijk mannelijke alleenverdieners die een regelmatig en voorspelbaar loopbaanverloop hadden, meestal bij één werkgever, en voor wie het laatste salaris ook het hoogste salaris was. Volgens het kabinet is een middelloonsysteem beter toegesneden op de tegenwoordige wisselende arbeidspatronen. Ook een functie- en salarisverlaging op latere leeftijd (demotie) zou beter in een middelloonregeling passen. Hiermee stelt het kabinet de in 1969 door de Stichting van de Arbeid geformeerde pensioennorm, die uitgaat van een 70 procent-eindloondoelstelling, ter discussie. Wel is het kabinet zo eerlijk toe te geven dat zijn zorg voor de hoge pensioenen op basis van het eindloon ook uit financieel-budgettaire overwegingen voortkomt. Pensioenpremies zijn immers onbelast en hoe hoger het pensioenresultaat is, des te meer premies fiscaal onbelast zijn, hetgeen ongunstig is voor financiën van het Rijk.

Een tweede flexibiliseringsmogelijkheid ligt op het vlak van de flexibele pensionering. Hierbij kan de werknemer binnen zekere grenzen zelf zijn pensioenleeftijd bepalen. Een derde mogelijkheid is het bieden van keuzepakketten binnen een pensioenregeling, ook wel pensioen à la carte genoemd. Het meest geijkte voorbeeld hierbij is dat de werknemer kan kiezen tussen een nabestaandenpensioen of een hoger ouderdomspensioen. Dit gaat uit van de veronderstelling dat zowel alleenstaanden als tweeverdieners niet altijd behoefte zullen hebben aan een pensioen voor nabestaanden. Overigens heeft het kabinet onlangs aangekondigd met de sociale partners te zullen overleggen over de vraag of een verplichting tot het bieden van deze keuzemogelijkheid aan pensioenregelingen moet worden opgelegd.

Als vierde is er de keuzemogelijkheid in het arbeidsvoorwaardenpakket als geheel, zodat bijvoorbeeld vrije tijd of een overwerkvergoeding kan worden ingeleverd voor een hoger of eerder ingaand pensioen. Een vijfde flexibiliseringsmogelijkheid bestaat uit het beperken van de collectieve pensioenregeling met individuele keuzemogelijkheden voor werknemers voor aanvullingen.

In hoeverre kent de wetgeving nu belemmeringen voor deze flexibilisering? Zowel de SER als het kabinet hebben vastgesteld dat de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) geen belemmering vormt. De PSW laat werkgevers en werknemers vrij om de pensioenregeling inhoudelijk zo flexibel op te zetten als men wil. Alleen het verbod pensioenen af te kopen brengt een beperking mee. Het afkoopverbod betekent dat het niet toegestaan is het voor pensioen bestemde geld als bedrag ineens uitbetaald te krijgen om daarmee een luxe boot te kopen, op vakantie te gaan of andere leuke dingen te doen. Hiernaast bevat de Wet toezicht verzekeringsbedrijf een scherpe afbakening van de gevallen waarin pensioenfondsen individuele, door de werknemer zelf gesloten, aanvullende pensioenverzekeringen mogen uitvoeren. Buiten deze afbakening moet een werknemer zich tot een verzekeringsmaatschappij wenden om individuele aanvullingen te verzekeren. Voor pensioenfondsen is dit een obstakel bij produktdifferentiatie. Ten slotte speelt de vraag of de fiscale wetgeving barrières voor flexibilisering bevat. Een fiscaal aanvaardbaar pensioen moet aansluiten bij de maatschappelijke opvattingen. Deze eis op zichzelf is al een hinderpaal voor maatschappelijke innovatie. Bovendien geldt dat het pensioen in relatie moet staan tot het loon en de diensttijd, waarbij de genoemde 70 procent ook hier de norm is. Dit staat in de weg aan de verzekering van een - eventueel tijdelijk - hoger pensioen of een versnelde opbouw van het pensioen. Voor de flexibilisering van pensioenregelingen zal dus de fiscale norm, die ook al uit de zestiger jaren stamt, op de helling moeten.

    • Prof. Dr. E. Lutjens