EG adviseert alleen onbetaald bloed te gebruiken

ROTTERDAM, 5 NOV. De EG moet zo snel mogelijk maatregelen nemen om het gebruik van bloedprodukten van onbetaalde donors te stimuleren, zodat gebruik van betaald bloed niet meer nodig is. Dat is de belangrijkste aanbeveling van een rapport van de Amsterdamse internist en voorzitter van de European Plasma Fractionation Association, professor dr. W.G. van Aken. In opdracht van de Europese Commissie heeft Van Aken onderzocht of volledige voorziening met bloed van onbetaalde donors binnen de lidstaten mogelijk is.

Aanleiding daartoe vormde vooral de grote zorg omtrent de situatie in Duitsland en de Zuideuropese landen. Zij importeren nog veel bloed uit de Verenigde Staten, dat tegen betaling is afgestaan. Maar de herkomst is niet alleen de VS, zoveel staat vast. Het bleek voor Van Aken echter niet na te gaan uit welke andere landen het bloed komt. De deelstaten in Duitsland hebben elk hun eigen wetgeving en er is geen centraal registratiepunt. Daarnaast is de industrie niet erg geneigd tot openheid over leveranties, veelal uit concurrentieoverwegingen.

Wel is gebleken - uit een vorig jaar gepubliceerd Duits onderzoek in het Britse medische tijdschrift The Lancet - dat betaalde bloeddonors acht maal zo vaak seropositief zijn als vrijwillige, niet betaalde donors. Deze studie werd gedaan in de periode 1985 tot en met 1991.

Na het schandaal in Frankrijk over met het aidsvirus (HIV) besmet bloed lieten de ministers van volksgezondheid van de EG in juni 1992 weten een voorkeur te hebben voor gebruik van bloed van onbetaalde donors. De EG stelde in 1989 al een richtlijn op waarin de lidstaten worden 'aangemoedigd' alleen van onbetaald bloed gebruik te maken.

Groot-Brittannië, Frankrijk en de Benelux hebben met kracht aangedrongen op een algeheel verbod op gebruik van bloed van betaalde donors. Gevreesd werd dat bij het opengaan van de grenzen toch Amerikaans bloed van betaalde donors op de markt zou komen via Duitsland, Spanje of Italië. De beide zuidelijke lidstaten hebben vooral belangstelling getoond voor de Nederlandse opzet van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) van het Nederlandse Rode Kruis in Amsterdam. Het CLB werkt uitsluitend met bloed van onbetaalde donors en op non-profit-basis.

De 'cultuur' om onbetaald bloed af te staan verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat. Per 1.000 inwoners geven in zuidelijke landen jaarlijks 20 mensen bloed, in Nederland 40 en in een land als Denemarken 74. In het zuiden is men vooral geneigd alleen te doneren als het bloed bestemd is voor een familielid. In Duitsland wordt meer bloed gegeven, maar de grote behoefte in dat land wordt vooral verklaard door de aanzienlijke hoeveelheden die de artsen daar menen nodig te hebben. Geschat wordt dat de gehele EG jaarlijks 1,6 tot 1,9 miljoen liter importeert. Duitsland is de belangrijkste afnemer.

De zorg binnen de lidstaten dat bloedprodukten ziekten overbrengen werd voorjaar '92 vooral gevoed door het Franse schandaal, toen bleek dat hemofiliepatiënten halverwege de jaren tachtig met het aidsvirus (HIV) besmet bloed kregen, terwijl behandelaars ervan wisten. Ook in Nederland zijn lijders aan bloederziekte geïnfecteerd door besmet bloed.

Directeur Garetta van het Franse Centre National de Transfusion Sanguine (CNTS) liet najaar 1985 in een brief aan de minister van volksgezondheid weten dat alle bloedprodukten besmet waren. Om die reden zou direct moeten worden overgestapt op verhitte produkten, die vrij zijn van virus. Het CNTS moest echter wel de bestaande voorraad distribueren. In Nederland begon de distributie van verhitte produkten eerder dan in Frankrijk. De Franse laksheid wordt algemeen geweten aan economische motieven.

Hemofiliepatiënten zijn wereldwijd bij duizenden geïnfecteerd, doordat bij het uitbreken van de aidsepidemie in eerste instantie geen rekening werd gehouden met besmetting door bloedcontact. De helft van alle Amerikaanse hemofiliepatiënten die met HIV zijn geïnfecteerd is vóór half 1982 besmet. In die tijd zijn ook Nederlandse hemofiliepatiënten geïnfecteerd.

Dat hittebehandeling overdracht van HIV uitsloot, werd in februari 1985 definitief bewezen geacht. In die periode bleek in Nederland dat van de 1.200 hemofiliepatiënten er rond 150 waren geïnfecteerd, ongeveer twaalf procent.

Een groot probleem bij de zelfvoorziening van de lidstaten is dat er veel te veel transfusies met plasma worden gedaan, waardoor er al snel een tekort dreigt te ontstaan. Zo bestaat voor 70 procent van het aantal transfusies van bloedplasma in Nederland geen goede reden. Vijf deskundigen, onder wie Van Aken, wezen begin dit jaar in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde op de “opvallende en tevens verontrustende ontwikkeling” in het gebruik van plasma voor transfusies. Ziekenhuizen vragen jaarlijks ongeveer 10.000 eenheden meer, zodat in 1990 al meer dan 100.000 donoreenheden door regionale bloedbanken moesten worden geleverd.

Beperking van het aantal transfusies met plasma zou niet alleen veel geld besparen, maar ook minder risico inhouden voor patiënten. Zouden artsen zich beperken tot de noodzakelijke gevallen, dan zou veel plasma beschikbaar komen voor produktie van onder andere stollingsfactor acht voor hemofiliepatiënten.

Toediening van plasma is niet zonder risico. Het belangrijkst is het gevaar van overdracht van virussen, zoals hepatitis B, hepatitis C en HIV. Zouden artsen zich beperken tot die gevallen waarbij een echte indicatie bestaat, dan zou een belangrijke hoeveelheid plasma beschikbaar komen waaruit andere produkten kunnen worden gewonnen, zoals stollingsfactor acht.

In de wet is vastgelegd dat Nederland moet voorzien in de eigen behoefte aan bloed en bloedprodukten. Voor de meeste produkten is dat het geval, maar aan stollingsfactor acht, waarmee hemofiliepatiënten moeten worden behandeld, bestaat nog een tekort. Daarom moeten produkten zoals stollingsfactor acht, bereid uit plasma van betaalde donors, uit het buitenland worden geïmporteerd. Vorig jaar was er een tekort van 55.000 liter plasma, wat mede te wijten is aan irrationeel gebruik.

De Europese Commissie en de Raad van Europa hebben de aanbevelingen van de commissie onder voorzitterschap van Van Aken goeddeels overgenomen. Zo worden nu door middel van richtlijnen strikte eisen gesteld aan de veiligheid van verwerking van bloed (Good Manufacturing Practice) en aan de screening van de donors. Het gebruik van vrijwillig afgestaan, onbetaald donorbloed wordt gestimuleerd. In Duitsland wordt veelal niet betaald, maar worden onkosten rijkelijk 'gecompenseerd'.

Het streven van de EG is het in de toekomst te stellen zonder import, onder meer door in landen waar de bereidheid onder de bevolking om bloed te geven gering is het donorschap populairder te maken. “Er is dus al veel in gang gezet”, aldus professor Van Aken.

    • Bram Pols