Een lot uit de natrekkingsloterij

In 1951 kreeg een aannemingsbedrijf de opdracht twee winkelhuizen met toebehoren in Heerlen te bouwen. Dat deed het aannemingsbedrijf; maar toen het op afrekenen aankwam, kwamen er moeilijkheden. De aanbesteder - laten we hem X noemen - had geen geld. Het werd pas met recht moeilijk toen bleek dat de huizen die de aannemer inmiddels had gebouwd, stonden op grond die niet aan X toebehoorde. De aannemer was er van uitgegaan dat dat wèl zo was, maar de grond bleek van de broer van X te zijn. En de daarop gebouwde huizen dus ook. Want tenzij men een speciale juridische constructie toepast (die hier natuurlijk niet was toegepast), krijgt wie ergens eigenaar van is, automatisch ook de eigendom van dingen die aan zijn eigendom worden toegevoegd. 'Natrekking' heet dat.

Bij X viel niets te halen. Dus sprak de aannemer de broer van X (laten we die BX noemen) aan voor de onbetaald gebleven aanneemsom. BX was dan wel geen opdrachtgever (en hij wist ook, zei hij, niets van wat zijn broer allemaal achter zijn rug had uitgespookt). Maar door het gebeurde waren aan BX toch maar twee fraaie panden in de schoot geworpen. Hij was dus verrijkt, en die verrijking was ten koste gegaan van de aannemer. 'Ongerechtvaardige verrijking' vond de aannemer dat, en daarop baseerde hij zijn vordering.

In 1959 kwam de zaak bij de Hoge Raad. Die besliste dat er geen algemene verplichting bestaat om verrijking als gevolg van natrekking 'goed te maken'. Eén van de argumenten van de Hoge Raad was dat de wet ook aan huurders die iets aan het gehuurde toevoegen, geen recht geeft op een schadeloosstelling ten laste van degene die door natrekking eigenaar is geworden.

Waarom deze oude koeien uit de sloot? Omdat de geschiedenis zich herhaalt. Maar dan net iets anders, zoals meestal als geschiedenis zich herhaalt: een BV had een bedrijfspand gehuurd, en daarin voor een flink bedrag verbeteringen aangebracht. Een bijzonderheid was, dat de verhuurder en (mede)eigenaar van het bedrijfspand tegelijk de enige directeur van de BV was.

Op een kwade dag kwam de fiscus beslag leggen ten laste van de BV. Toen besloot de directeur om het bedrijf van de BV maar te staken. Vrijwel tegelijkertijd begon hij voor zichzelf, in hetzelfde bedrijfspand, precies hetzelfde bedrijf dat de BV daar tot dan toe had gedreven - natuurlijk met gebruikmaking van de bedrijfsmiddelen van de BV, die gewoon nog aanwezig waren.

De BV ging, na het staken van haar bedrijf, begrijpelijkerwijs failliet. De faillissementscurator nam geen genoegen met de manier waarop de (inmiddels gewezen) directeur de zaken had aangepakt. Hij stelde een aantal schadevergoedingsvorderingen in. Onder andere vorderde hij schadeloosstelling voor de investeringen die de BV in het bedrijfspand had gedaan, en waarvan de directeur/verhuurder/mede-eigenaar sedert het 'verdwijnen' van de BV kosteloos profiteerde. De gewezen directeur/verhuurder etcetera verweerde zich natuurlijk met een beroep op de regel die de Hoge Raad in 1959 had gegeven: natrekking geeft geen recht op schadeloosstelling. De Hoge Raad had dat immers juist met verwijzing naar de wettelijke regeling voor door huurders aangebrachte verbeteringen zo beslist.

Ook de zaak van de faillissementscurator kwam voor de Hoge Raad. Maar nu pakte het anders uit. In september van dit jaar besliste de Hoge Raad dat de (mede)eigenaar van een verhuurd pand inderdaad in beginsel niet verplicht is om huurders voor de gevolgen van natrekking schadeloos te stellen. In bijzondere omstandigheden kan dat echter anders zijn. In dit geval had de lagere rechter aangenomen dat er bijzondere omstandigheden waren. Terecht, vond de Hoge Raad.

Daarbij merkte de Hoge Raad terloops op dat het hier ging om een geval dat (lang) vóór 1 januari 1992 had gespeeld. De nieuwe delen van het Burgerlijk Wetboek die op die datum van kracht werden, waren op dit geval dus nog niet van toepassing. In die nieuwe wetten is een aparte regeling opgenomen voor 'ongerechtvaardigde verrijking'. De vraag is nu natuurlijk of daardoor voor het corrigeren van de gevolgen van natrekking meer ruimte is ontstaan dan onder het oude recht. Het spel in de natrekkingsloterij is nog niet uitgespeeld.

    • J.L.R.A. Huydecoper