Derde-wereldvoetbal

Bang voor dood en vernieling ging ik de avond van de wedstrijd Feyenoord - FC Porto naar de Kleine Komedie. Waar Jan Mulder en Remco Campert, ook twee voetballiefhebbers, hun literaire powerplay vertoonden. Het was de keuze tussen verraad en een massagraf, maar voor een mens met meer tranen dan wapens leek ieder afgezoomd droomwereldje me op deze woensdagavond een legitiem alternatief voor de kolkende Kuip. Bart Chabot en Wim de Bie dachten er ook zo over.

Jan Mulder las voor. Hij had het over legendes met gewijde namen: Yashin, Scirea, Garrincha, Di Stefano, Eusebio... Evenveel goddelijke stroomstoten die de geurscheiding met De Wolf, Van Gobbel en Refos voltooiden. Feyenoord werd een ander land, ver weg. Derde Wereldvoetbal. Het theater was gevuld met een ingehouden ovatie voor koperen wreven, latijnse schaarbewegingen, geheimzinnige dribbels en wonderlijke kanonschoten uit de tweede lijn. Daar konden Scholten, Fräser en Witschge niet tegenop.

Al lezende werd Mulder steeds meer spits. Zijn voetenspel was volmaakt; uit de vouw van de broek puilden de woeste knieën van Jari Litmanen; in de rechterheup sidderde weer iets van een samba. Alleen zijn kroko-schoentjes deden nog even denken aan Van den Herik, de gebruinde zakenman van Feyenoord. Aan slecht volk dus.

Remco Campert verscheen op het toneel. Met een sprongetje. De fragiele dichter zowaar op weg naar een salto mortale. Dat zou een scheve scherf als Van Loen in de Kuip niet laten zien, troostte ik me zelf. Met perfect gevoel voor timing liet Campert gewijde namen vallen: Gorrospe, Abdoesjaparov, Chiappucci, Indurain... Het theater werd gevuld met de zingzang van een Frans dorp in de zomer. De dichter glinsterde even roestvrij als een carbonvork, titaniumframe en buitenblad. Soms bleef het stil, zo stil als het verleden van de wielrenner is. Het hele peloton kwam in de Kleine Komedie voorbijgezoemd, als een gekanteld oog. Als een mozaïek van landschappen, gebeiteld in rotsige rennerskoppen. Topsport op de vleugels van de muze. De Wolf verbleekte ter plekke tot een ordinaire dierentemmer in een tweedehandscircus.

Het werd nog mooier.

Na de voorstelling weigerde Remco Campert complimenten in ontvangst te nemen. “Ik ga even naar mijn moeder”, wuifde hij de schouderklopjes verlegen weg. Daar stonden ze dan, de zestigjarige dichter en zijn tachtigjarige moeder. Wankel, alsof ze de schaatsen hadden aangebonden, bogen ze naar elkaar. Langdurig gefluister, glaasje rode wijn in de hand. Moeder en zoon, verenigd in een Champions League van hen alleen.

Jan Mulder was inmiddels helemáál spits geworden. Zijn ogen zochten koortsig de tapkast af. Naar blondines. Alles aan hem smeekte om in jubel gestreeld te worden door Santje, Marie-Claire en Sonja. Het mannelijk gezelschap werd geen blik gegund. Dansend over zijn eigen hattrick heen wilde de schrijvende spits nog alleen opgenomen worden in een wolk van parfum. De vraag of Feyenoord, Barcelona en Milan zich geplaatst hadden, knalde hij weg met met de superieure grijns: “Man, het gaat om liefde en kunst, om mijn kunst.” Dichters hebben een moeder, spitsen alleen vrouwen.

En toch. Anderhalf uur na de voorstelling zag ik Mulder onder een fijne motregen langs de Amstel lopen. Naast de enige, echte Johanna. Even was er de touch van twee pinkvingers die elkaar raakten. In de felle schouderbladen van de spits begon onrust te schuiven. Hoe het verder afliep, bleef hun geheim. Ze liepen weg uit het schijnsel van de lantaarnpaal, de nacht in. Topvoetballers hebben ook hun okselnood maar alleen in het donker.

Ik reed naar huis. Het ANP-journaal op de radio berichtte over Bosnië, Akzo en een of ander beleidsnummertje van Hedy d'Ancona. Ik wilde weten of Anderlecht zich geplaatst had voor de Champions League. Het ANP gaf niet thuis. Twee uur na een avondje Europa Cup hoor je op de Nederlandse radio geen woord meer over voetbal. Razend over zoveel sporthaat en misplaatst intellectualisme scheurde ik over Rotterdam - toen al dode stad - naar Antwerpen.

De volgende dag zag ik op de video hoe het boeren-lompen-elftal van Feyenoord zichzelf uitschakelde in de vermeningvuldigingsdans om het gouden kalf. Toen Van Loen met een rode kaart van het veld werd gestuurd ontglipte uit mijn handen een klein applausje.