De tand van Boeddha; Religieuze beelden op Sri Lanka

Op Sri Lanka zit de Boeddha metershoog uitgehakt in een rots te mediteren en hij ligt slapend in een grot omringd door Delfts-blauwe tegels waarop het leven van Jezus is afgebeeld. Naar aanleiding van een tentoonstelling in het Rijksmuseum voor Volkenkunde maakte Floris van Straaten een tocht langs de Bodhi-boom en beelden van hindoegoden die door boeddhistische Singalezen worden aanbeden, bij gebrek aan eigen goden.

De glorie van Sri Lanka, boeddhistische en hindoeïstische beelden uit Sri Lanka's nationale collecties. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. 5 nov t/m 6 maart 1994. Di t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u.

Toen de Boeddha 2.500 jaar geleden na een lang en arbeidzaam leven zijn fysieke einde voelde naderen, riep hij een van zijn volgelingen bij zich. Vervuld van sombere voorgevoelens over de toekomst van zijn leer in zijn geboorteland India, wees de meester naar het zuiden en sprak: “In Lanka, o God der Goden, zal mijn leer worden gevestigd en tot bloei komen.”

Zo wil althans de overlevering op Sri Lanka, en het moet gezegd worden: het tropische eiland, dat als een traan onder het kolossale India hangt, heeft de verwachtingen van de stichter van het boeddhisme niet beschaamd. Meer dan twee millennia na de komst van de eerste boeddhistische predikers is zijn leer op Sri Lanka nog springlevend.

Nergens blijkt dit beter dan in de oude hoofdstad Anuradhapura bij de Bodhi-boom, die hier al sinds de derde eeuw voor Christus staat. Boeddhisten brachten deze naar Sri Lanka als stekje van de befaamde boom in Bodh Gaya, Noord-India, waaronder prins Siddharta Gautama op een goede meinacht bij volle maan na lang mediteren tot Boeddha (verlichte) werd.

Elke dag trekken drommen Singalezen, de dominante bevolkingsgroep op Sri Lanka van wie de overgrote meerderheid boeddhistisch is, blootsvoets door de poorten die leiden naar de heilige boom. Gebeden prevelend en met gevouwen handen knikken sommigen door de knieën en strekken zich op de grond uit. Anderen volstaan met een eerbiedige groet voor de heilige loot. Binnen het complex hangt een sterke wierooklucht, vermengd met de bedwelmende geur van lotusbloemen die de gelovigen eveneens in groten getale meebrengen als offer. De geliefde boom aanraken kunnen de bezoekers niet, want die wordt van het publiek afgeschermd door een aantal gebouwtjes waartoe alleen de monniken in hun saffraan-kleurige gewaden toegang hebben.

Daarna volgt een ander ritueel dat in veel gevallen de directe aanleiding is voor het bezoek: het aanbrengen op een muur van een vlaggetje met een wens, gevolgd door een financiële donatie ten behoeve van de heilige plaats en de monniken. 'Moge ik snel een gezonde zoon krijgen', 'Red mij alstublieft van de financiële ondergang' en soortgelijke, bij uitstek menselijke wensen.

Nirwana

In zijn eeuwige wijsheid zal de Boeddha over dit schouwspel slechts kunnen glimlachen. Was immers niet een van de kernpunten van zijn leer dat de mens zijn verlangens moet zien in te tomen? Bovendien, aan wie zijn de wensen gericht? De Boeddha zelf verkeert in het nirwana, is nadrukkelijk geen godheid en heeft vanuit zijn hemelse toestand geen directe invloed meer op aardse zaken. Maar ook de boeddhisten beseffen dat een geloof ten dode is opgeschreven wanneer de gelovigen geen wensen mogen doen, en dus neemt niemand aanstoot aan dit oude gebruik.

Op slechts enkele honderden meters van de Bodhi-boom bevinden zich de stille getuigen van de hoge boeddhistische beschaving die hier al ruim voor de jaartelling begon en met interrupties meer dan twintig eeuwen bloeide. De meest indrukwekkende overblijfselen zijn de reusachtige stoepa's, de koepelvormige monumenten ter herdenking van de Boeddha die bovendien een symbool zijn van de kosmische orde. Als een kolossale uitgave van de piekhelmen die Duitse militairen tot de Eerste Wereldoorlog droegen staan ze daar, vele tientallen meters hoog en geheel uit baksteen opgetrokken.

De oudste dateert uit de tweede eeuw voor Christus. Al voor de Tweede Wereldoorlog is deze gerestaureerd en van een nieuwe helwitte pleisterlaag voorzien, waardoor het monument overdag in de zon oogverblindend schittert. Iets verderop bevinden zich twee andere reuzenstoepa's of dagoba's, zoals ze in Sri Lanka worden genoemd. Hier zijn de stoepa's een geworden met de natuur, want de bouwsels zijn door de eeuwen heen voorzien van een dichte laag bomen en struiken.

Heel voorzichtig is men sinds begin jaren tachtig in het kader van het zogeheten Cultural Triangle Project, dat financieel wordt gesteund door de UNESCO, begonnen met het schoonmaken van deze stoepa's. Eenvoudigweg de bomen en bosjes wegtrekken kan niet, want dan dreigt de kwetsbaar geworden toplaag van de stoepa weg te zakken. Over de fundering hoeft men zich minder zorgen te maken: de bouwwerken waren voor de eeuwigheid bedoeld en navenant solide opgezet. Onderzoek heeft uitgewezen dat de bijna tweeduizend jaar oude bakstenen pas bij een twee keer zo hoge druk barsten beginnen te vertonen als de gemiddelde hedendaagse stenen.

De oude bewoners van Anuradhapura waren ook op een ander terrein hun tijd vooruit. De stad beschikte over een geavanceerd waterleidingsysteem, waarvan ook de Romeinen zouden hebben opgekeken. Overal lopen buizen waardoor het water werd aangevoerd dan wel weggeleid. Her en der waren fonteinen en badgelegenheid aangebracht. Men beschikte over urinoirs. Niet zomaar ordinaire plasplaatsen, maar fraai versierde stapstenen met een keurig gaatje voor de afvoer van de lichaamssappen.

Waterwerken

En dan zijn er de massale waterwerken, sinds de vroegste tijden eveneens een handelsmerk van de boeddhistische cultuur op Sri Lanka. De noordelijker streken van het eiland hebben soms te kampen met droogte en daarom zocht men al snel naar manieren om van een vaste wateraanvoer verzekerd te zijn. Voor sommigen, zoals de twaalfde-eeuwse koning Parakrama Bahu uit het naburige Polonnaruva, werd dit zelfs een obsessie. Zijn lijfspreuk luidde: “Geen druppel regen die op het eiland valt mag in de oceaan belanden zonder de mensheid te hebben gediend.”

Zo werden er grote dijken gebouwd en ontstonden er in het noordelijke deel van Sri Lanka her en der uitgestrekte meren, die het landschap verfraaiden en waaruit men naar believen water kon putten voor de landbouw of voor privé-gebruik. Eerst in Anuradhapura en na het verval van die stad in Polonnaruva en weer later in het verder landinwaarts gelegen Kandy. Als ware het een estafette waarbij het stokje werd doorgegeven, heeft elk van deze steden in zijn glorietijd de vermaardste relikwie van het eiland, een tand van de Boeddha, in zijn bezit gehad.

Op artistiek terrein lag het zwaartepunt op de weergave van de Boeddha en Bodhisatva's, wezens die het verlichte stadium nog niet hebben bereikt. Er zijn van het oude Sri Lanka slechts weinig wereldse kunstuitingen bewaard gebleven. Zonder twijfel de meest adembenemende zijn de rotsschilderingen uit de vijfde eeuw in Sigiriya. Na een moeizame klim over trappen langs een bijna loodrechte rotswand, sta je plotseling oog in oog met een reeks prachtige vrouwen. Knappe gezichten hebben ze met een mysterieuze blik in de ogen en welgevormde ontblote borsten. Hun handen met opvallend lange vingers lijken een uitnodigend gebaar te maken. Waarheen? Naar een fictief paradijs? Naar het op de berg gelegen paleis dat hier vroeger lag? Of zijn het sirenes, die net als in de Griekse oudheid passanten in het verderf stortten? De schonen hebben in elk geval al menigeen in verwarring gebracht. “De vrouwen, die gouden kettingen op hun borsten dragen, wenken me. Nu ik deze schitterende vrouwen heb gezien, trekt de hemel mij niet zo aan,” grifte een bezoeker honderden jaren geleden in de rots, als graffiti avant la lettre.

Voor het overige bestaat de kunstproduktie vrijwel uitsluitend uit afbeeldingen en beelden van de verlichte meester, in allerlei houdingen en in allerlei soorten en maten. Nu eens slapend, dan weer zittend tijdens het mediteren of staand en een bezwerend gebaar makend. Nu eens metershoog in de rots uitgehakt, dan weer in een vitrine geplaatst of in een duistere grot. Wanneer het om aantallen Boeddha-beelden en afbeeldingen gaat blijven de Singalese kunstenaars nauwelijks achter bij hun Europese collega's met hun schier eindeloze reeks Jezussen.

Lendendoek

Tot de hoogtepunten behoren ongetwijfeld de bronzen beelden, waarvan nu een selectie in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden valt te zien. Het absolute pronkstuk is een beeld dat eind jaren zestig bij toeval bij een afgelegen boeddhistisch heiligdom in Veragala werd gevonden. Het stamt waarschijnlijk uit de negende eeuw. De Bodhisatva is getooid met een kroon en draagt slechts een lendendoek. Met één knie wat opgetrokken en leunend op zijn linkerhand, zoals Aziaten graag zitten, is hij diep in gedachten verzonken. De intensiteit daarvan wordt geaccentueerd door het samenknijpen van duim en wijsvinger van de rechterhand, alsof hij juist op dat moment tot een fundamenteel nieuw inzicht komt. “Het is net een stukje spirituele muziek”, zegt een verrukte dr. Roland Silva, de leider van het Cultural Triangle Project die in Leiden is gepromoveerd.

Hindoeïstische tempels

Behalve boeddhistische bronzen bevat de tentoonstelling ook hindoeïstische beelden. De geestelijke afstand tussen het boeddhisme en het hindoe-geloof was nimmer groot op Sri Lanka. In de Middeleeuwse stad Polonnaruva bijvoorbeeld stonden pal naast de boeddhistische heiligdommen ook tal van hindoeïstische tempels.

In Kandy, waar thans de vermeende tand van de Boeddha wordt bewaard, bezoekt het gros van de pelgrims niet alleen de tempel van de tand maar maakt ook in één moeite door de gang naar enige heiligdommen van hindoe-oorsprong die zich in hetzelfde complex bevinden. Juist in afwezigheid van een eigen god, lijken veel boeddhisten zich graag tot hindoe-goden als Shiva en Vishnu te wenden. In Kandy is ook de godin Patini geliefd, die de naam heeft goed voor kinderen te zijn. Voor de aan en uit flikkerende veelkleurige lampjes om haar beeld, die in Westerse ogen een kermisachtige sfeer in het heiligdom oproepen, werpen vrouwen zich in het stof met hun gebeden. Een godsdienst zonder god of goden blijkt ook voor de meeste boeddhisten veel gevraagd.

Aanhangers van de oecumene kunnen in Kandy hun hart in elk geval ophalen. Op hetzelfde terrein staat immers ook nog de Engelse St Paul's church, wonderlijk detonerend in deze uitgesproken Oosterse en tropische omgeving met zijn hoekige vormen en torentje met kantelen.

Op het complex in Kandy, waar eveneens ingrijpende restauraties plaatshebben, zij het niet op dezelfde schaal als in Anuradhapura en Polonnaruva, hangt een spirituele sfeer. Het wekt de indruk alsof Sri Lanka een gelukkig eiland is van vreedzame mensen die in een paradijselijke omgeving harmonieus samenleven. “Het boeddhisme kan er trots op zijn dat er nooit een druppel bloed in zijn naam is vergoten,” lezen we in een officiële brochure van de regering van Sri Lanka.

Helaas is dit slechts een sprookje. Niettemin geloven veel Singalezen er tot de dag van vandaag in. Voor hen zijn Sri Lanka en boeddhisme een en hetzelfde. Slechts dankzij agressieve buitenstaanders, zo menen zij, werden hun onvergelijkelijke oude steden verwoest. Vooral de Tamils uit Zuid-India speelden hierbij een bedenkelijke rol. Waren zij het niet die herhaaldelijk Anuradhapura binnenvielen en veel van de stad met de grond gelijk maakten? En waren het niet diezelfde Tamils die honderden jaren later Polonarruva met zijn fraaie tempels en paleizen (sommige zeven etages hoog!) van de kaart veegden?

Vergeten wordt hierbij gemakshalve dat de boeddhistische heersers van Sri Lanka door de eeuwen heen zelf ook de nodige expedities naar India hebben georganiseerd, die dikwijls met bloedvergieten gepaard gingen. Onderling hebben ze eveneens de nodige wreedheden begaan. Verdrongen wordt ook het feit dat in de twaalfde eeuw in Polonarruva zo'n 10.000 Tamils als slaven werden gebruikt bij de bouw van een overigens nooit voltooide stoepa, die de grootste ter wereld had moeten worden.

Relikwie

Ook de Portugezen, de Nederlanders en de Britten spelen in de Singalese ideologie een uitgesproken negatieve rol. In het geval van de Portugezen is dat zeker enigszins te begrijpen. Dezen stelden alles in het werk om het boeddhisme zo snel mogelijk uit te roeien. Tot elke prijs probeerden ze de bevolking tot het enige ware geloof te bekeren, uiteraard hun eigen katholicisme. Zo haalden de Portugezen op een gegeven moment de geliefde tand van de Boeddha weg en verbrandden die, vastbesloten om voor goed af te rekenen met de aanbidding van deze relikwie. De boeddhisten lieten zich hierdoor echter allerminst uit het veld slaan. Korte tijd later werd bekend gemaakt dat de mensen in Kandy de echte tand tijdig hadden weten te redden en dat de Portugezen een valse tand hadden meegekregen. Een verhaal waaraan uiteraard geen enkele recht geaarde boeddhist twijfelt.

De Nederlanders waren minder gedreven in het missiewerk. Sterker nog, halverwege de achttiende eeuw was er voor hen zelfs een sleutelrol weggelegd bij het redden van het boeddhisme in Sri Lanka. Het boeddhisme, dat door de eeuwen heen hoogte- en dieptepunten heeft gekend op het eiland, ging toen onmiskenbaar door een diep dal. Op een gegeven moment bleek dat men tot leedwezen van de koning van Kandy niet meer het voorgeschreven aantal gekwalificeerde monniken kon optrommelen dat nodig was voor de wijding van novicen. De enige remedie was de import van monniken die wel aan de voorwaarden voldeden uit het eveneens boeddhistische Thailand.

De toenmalige Nederlandse gouverneur, die graag een gebaar van goede wil maakte tegenover de vorst, stelde daarop Nederlandse schepen beschikbaar voor het transport van deze religieuze reddingsbrigade uit Thailand. Ook zagen de Nederlanders er op toe dat de Thaise monniken na aankomst in de haven van Trincomalee zonder problemen Kandy bereikten langs de destijds bepaald onveilige wegen.

De Nederlanders probeerden vaker in een goed blaadje te komen bij de koning van Kandy, die in de bergachtige binnenlanden van het eiland een onafhankelijke staat bleef leiden. Dat deden ze onder andere door geschenken. Op zeker ogenblik schonk de Nederlandse gouverneur een reeks Delftse tegels aan de koning van Kandy, waarop scènes uit het leven van Jezus waren afgebeeld. Waarschijnlijk niet bijster onder de indruk van deze gift, gaf de koning deze op zijn beurt aan een boeddhististisch heiligdom bij een grot in Ridegama, diep in de jungle. Daar bracht men de tegels in volstrekt willekeurige volgorde aan pal voor een meterslang beeld van een slapende Boeddha. Bezoekers kunnen de Jezus-tegels en het Boeddhabeeld, die al twee eeuwen onafscheidelijk van elkaar leven, tot op de dag van vandaag bij het zwakke schijnsel van een olielamp bewonderen.

Nationalisme

Onder de Britten nam de bekeringsijver weer toe. “Er zijn goede gronden om aan te nemen dat het boeddhisme in de niet te verre toekomst van het eiland verdwijnt,” stelde een Engelse bisschop in de negentiende eeuw vergenoegd vast. Een ernstige misrekening van de eerwaarde. Juist in reactie op de campagnes van de christelijke missionarissen ontstond er een krachtige tegenbeweging. Met een schuin oog op het snel opkomende nationalisme elders in de wereld, spanden Singalese nationalisten met succes het boeddhisme voor hun karretje.

Ze beriepen zich op een oude legende dat de Boeddha niet alleen hoge verwachtingen had van Sri Lanka maar daarheen ook persoonlijk een contingent lieden van Arische oorsprong uit Noord-India had gezonden. Deze Ariërs waren natuurlijk niemand minder dan de Singalezen, die zichzelf op grond van deze mythologie dan ook als een uitverkoren volk kunnen beschouwen. En zoals dat vaker gebeurt met mensen die zich uitverkoren wanen, begonnen veel Singalezen zich hooghartig op te stellen ten opzichte van de minderheden die niet Singalees en niet boeddhistisch waren. In het bijzonder jegens de hindoeïstische Tamils die onder de Britten doorgaans meer mogelijkheden kregen dan de Singalezen.

Deze nationalistisch-religieuze beweging met een racistisch sausje werd na de onafhankelijkheid in 1948 een van de drijvende krachten in de richting van de bloedige burgeroorlog die het eiland sinds het begin van de jaren tachtig teistert.

Ook het ambitieuze Cultural Triangle Project is helaas niet vrij van nationalistische smetten. Voor de Singalezen was het een prachtkans de wereld en wel heel in het bijzonder de Tamils te herinneren aan de grootse prestaties van het Singalese boeddhisme uit het verleden. Niet voor niets gebruikt het project een logo met de tekst 'Help save the Glory that is Lanka'. Niet voor niets ook is de (Singalese) premier persoonlijk voorzitter van de onderneming. Zeker, er zijn ook hindoeïstische en zelfs islamitische vertegenwoordigers bij het project betrokken en er worden ook enkele hindoe-tempels gerestaureerd, maar onmiskenbaar ligt het accent op het redden van de boeddhistische erfenis van Sri Lanka.

Monniken

In de decennia na de onafhankelijkheid raakte de Singalese politiek steeds meer verstrengeld met het boeddhisme. Monniken kregen een groeiende invloed op de politieke besluitvorming. Enkelen deinsden er in de jaren tachtig ook niet voor terug openlijk tot het doden van de tegenstanders van het boeddhisme op te roepen. Andere boeddhisten beschouwden dit als een perversie van de leer en bepleitten vurig zich weer op het traditionele geestelijke werk toe te leggen.

Wanneer de Boeddha vanuit het nirwana een blik zou werpen op de huidige bezigheden van de boeddhisten in Sri Lanka, zou hij vermoedelijk schrikken. Het respect voor de oude tempels en de rest van de rijke boeddhistische nalatenschap zouden hem weliswaar tevreden stemmen. Maar de geestesgesteldheid van zijn volgelingen, die nog steeds in een bloedige strijd met de Tamils zijn gewikkeld, zou hem met afkeer vervullen.

De meester zou wellicht geneigd zijn een anekdote uit het oude China in herinnering te roepen, waar zijn leer eveneens diepe sporen heeft achtergelaten. Op zekere dag passeerde daar de dichter Po Chu-i een monnik van het Zen-Boeddhisme en beiden raakten in gesprek. “Als u mij het wezen van het boeddhisme in één zin kan uitleggen”, verklaarde de dichter na enige tijd, “zal ik uw discipel worden. Zo niet, dan scheiden zich onze wegen hier om nooit weer bij elkaar te komen.” “Wat een makkelijke vraag”, antwoordde de monnik. “Luister! Het wezen van het boeddhisme is om geen kwaad te doen, het goede te doen en je geest zuiver te houden.” “Is dat alles,” informeerde Po Chu-i. “Zelfs een kind van acht kan dat begrijpen.” De monnik sprak daarop: “Dat is waar, een kind van acht kan dat begrijpen, maar zelfs een man van tachtig speelt het in de praktijk nog niet klaar.”

    • Floris van Straaten