De koorddanser is niet gevallen; Jo Coenens Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam

Een van de taken van het Nederlands Architectuurinstituut is de projectontwikkelaar te helpen inzien dat goede architectuur samenhangt met kostbare details. Hoe het Architectuurinstituut zelf als opdrachtgever optreedt, is te zien in zijn vorige week geopende gebouw. Het is ontworpen door Jo Coenen, een architect die grote waarde hecht aan de architectuurgeschiedenis. De eerste tentoonstelling van het Nederlands Architectuurinstituut is een poging om die geschiedenis op een andere manier te zien. Een jonge garde architectuurhistorici probeert zich te ontdoen van de morele oordelen waarmee sinds de opkomst van het Nieuwe Bouwen naar de bouwkunst is gekeken.

Het nieuwe gebouw voor het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam heb ik nooit eerder gezien. De verschijningsvorm van het ensemble - dat is het meer dan een gebouw - is zonder hulp van aanstellerij volstrekt origineel en alleen al om zijn verbeeldingskracht moet architect Jo Coenen worden geprezen. Wijselijk heeft hij het aan de commentaar leverende buitenwacht overgelaten om de talloze verwijzingen te ontdekken, die in zijn creatie verborgen zouden zitten. Architectuurhistorische influisteringen zijn al geconstateerd van Borromini, Bernini, Berlage, Le Corbusier, Van der Vlugt, Van der Laan, Granpré Molière, Rietveld, Oud, Rem Koolhaas, Kahn, Foster en Van der Rohe. In de toekomst zal het gezelschapsspel nog wel meer namen opleveren - zelf zou ik Jean Nouvel, D. Roosenburg, A. van der Steur en Wim Quist aan het rijtje willen toevoegen - want Coenen behoort tot de categorie architecten die grote waarde hecht aan de architectuurhistorie.

Het Architectuurinstituut was al bij voorbaat een opgeschroefde ontwerp-opgave. Een ongeveer tachtig jaar lange voorgeschiedenis, althans van het museum-gedeelte dat nu een belangrijk onderdeel vormt van het instituut, is goed om de verwachtingen behoorlijk op te stoken. Bovendien moet het feit dat het gaat om een landelijk hoofdkwartier voor de architectuur voor een gewetensvol ontwerper, en dat is Jo Coenen, het afleggen van een zenuwslopende meesterproef hebben betekend. Het is koorddanser Coenen gelukt om tijdens de oefening niet van de draad te vallen, maar zijn voorstelling is verre van vlekkeloos verlopen.

Gezien vanuit het Museumpark zijn de vier elementen waaruit het Architectuurinstituut is samengesteld duidelijk te onderscheiden. Voor de helderheid heeft Coenen elk bouwdeel een eigen materiaal gegeven. De onder de reusachtige pergola hangende kantoorcontainer waarin ook de bibliotheek is opgenomen, is van glas. Daaronder liggen de hal, de foyer en het auditorium (de K.P.C. de Bazelzaal), een ruimtelijk samenstel dat schuin onder het kantorenblok wegloopt en herkenbaar is aan de van alle kanten zichtbare, of zwak door het glas schemerende betonnen draagstructuur. Het vierkante, massale museumblok rechts van de centrale bouw is bekleed met paarsbruine baksteen om op eenzelfde toonhoogte te komen met de baksteen van museum Boymans-van Beuningen (1935, A. van der Steur) aan de overkant. De zweemgroene kleur van de pergola-kolommen is ook afgestemd op het museum, namelijk op de kleur van het geoxydeerde koper dat in de toren voorkomt. Het archiefgebouw gedraagt zich als een tweehonderd meter lange, gebogen decorwand achter op het toneel.

Op een vanzelfsprekende, muzische wijze heeft het totale ensemble bezit genomen van het driehoekige terrein en zo de stad aan elkaar geknoopt waar vroeger desolate leegte heerste. Het beschermende gebaar van de archief-arcade omvat aan de kant van het prachtige, oude Unilevergebouw (1935, H.F. Mertens) een grote vijver - het plintgebouw met de foyer en het auditorium scheert als een van de eenvoudigste bungalows van de International Style sierlijk over het water. Aan de kant van het toekomstige Chabotmuseum is een egaal groen gazon voorzien, het laatste landschappelijk paneel tussen park en stad. Stedebouwkundig lijkt het Architectuurinstituut goed geslaagd. De proporties van het ensemble zijn mooi op de omringende bebouwing afgestemd - ongewoon voor de bebouwing in Rotterdam die opbloeit in onderlinge competitie - de grens tussen park en stad is met markante middelen getrokken, hoewel ik me kan voorstellen dat de arcade met de hoge stoep vanzelfsprekender in de natuurlijke loop zou zijn opgenomen, wanneer was vastgehouden aan het oorspronkelijke plan om aan beide uiteinden van 'de banaan' (de betiteling is van Coenen zelf) een poort te maken. Om op het perron onder het archiefgebouw te gaan lopen moet de wandelaar nu een paar treden op en dat is een lichte vorm van omlopen waartoe het kale beton niet werkelijk verleidt. Als het donker is, wordt in de op tweeënveertig platte zuilen gedragen arcade een computer gestuurde regenboog van Peter Struycken vertoond, een lichtkunstwerk waarvan de kleuren nauw aansluiten bij de neonreclames in de Rotterdamse binnenstad, maar dat niet in staat is om het kille klimaat enigszins milder te stemmen.

Armoede

De hoofdingang van het Architectuurinstituut sluit met een brede trap aan op het midden van de arcade, maar het is waarschijnlijk dat de meeste bezoekers de achteringang zullen nemen, aan de kant van het park. En daar begint de armoede. Het betonnen poortje dat op deze plaats de entree markeert is zo nauw dat de gedachte aan het elektronisch veiligheidspoortje op de luchthaven voor de hand ligt. Dat is geen aangename associatie. Bovendien doet de nietigheid van dit achterpoortje een vergeefse aanslag op de reusachtige pergola, die in dit perspectief een opgeblazen, bovenaards verheven karakter krijgt. Het betonnen poortje is ook een popperige voorbode van het kale, harde materiaal dat de bezoeker straks in de entreeruimte zal omgeven. Maar eerst komt de rustieke brug. De gebogen lijn van opzij deugt, maar waarom is deze belangrijke verbinding, in de praktijk misschien wel de meest gebruikte, zo smal als de hangbrug over de River Kwai? In het ontwerp uit 1988 was op deze plaats een veel bredere brug opgenomen, maar toen lag de hoofdingang nog terecht aan de parkzijde.

In de hal van het instituut, in het hart van het ensemble dat zou moeten stralen en behagen, worden we eerst door te lage betonnen plafondbalken bedreigd. Daarna ontvouwt de ruimte zich in een onoverzichtelijke waaier van technische vormen en doorkijkjes, die aan de kant van de tentoonstellingshal doodloopt op een vlakke, vrijwel gesloten toegangspartij met een donkere sleuf waarin de hellingbanen zijn opgenomen. Over deze banen beweegt de bezoeker zich naar boven en naar beneden langs de museumhal. Deze betrekkelijk essentiële verkeersader lijdt ook weer aan een hopeloos gebrek aan ruimte en allure en ontstijgt niet aan de meest primitieve vorm van standbouw. Voor een deel geldt dat voor de hele inrichting van het openbare gedeelte van het instituut, met uitzondering van de tentoonstellingszalen. Hier dringt zich door de brutale alomtegenwoordigheid van ongeverfd beton eerder de vergelijking op met een parkeergarage. De vides en openingen waardoor het daglicht indirect naar binnen valt, zijn niet in staat om een ook maar enigszins mooie, of bijzondere lichtval te bewerkstelligen. De grote zaal blijft een versteend, hol vat waarin tentoonstellingen het in de toekomst van hun inrichting zullen moeten hebben. En zolang de vloeren van de zolderzaal blijven bestaan uit de enge open roosters die Rem Koolhaas ook in de Kunsthal heeft gebruikt, hebben exposities hier weinig zin. Om je evenwichtsorganen te tarten gaat een mens naar de kermis. Maar ik moet toegegeven dat de paar voetenparen die zich toch op de zolderzaal wagen, van onderaf gezien, opwindende choreografische beelden opleveren.

Visueel kabaal

Het meest raadselachtige van het architectuurinstituut is de discrepantie tussen de in grote trekken heldere buitenkant en de wanordelijke, van rommelig, visueel kabaal doortrokken binnenkant. Het lijkt wel alsof de architect, op driekwart van het ontwerpwerk zijn handen ervan af heeft getrokken. Dat is niet waar, maar eigenlijk ook weer een beetje wel. Geldgebrek bij de opdrachtgever, het Nederlands Architectuurinstituut, heeft Coenen dermate in de uitvoering van zijn, al bijna onaanvaardbaar aangepaste ontwerp beknot, dat het niet overdreven is om te spreken van een gemutileerde creatie. Golfplaat - dat materiaal komt nu eenmaal nooit van zijn armoedig verleden af - moest baksteen, en zelfs hout vervangen als huid van het archiefgebouw. Er waren geen middelen meer voor aankleding en afwerking en complete interieuronderdelen, als plafonds, moesten achterwege blijven. Kortom, het gebouw voor het Nederlands Architectuurinstituut overkwam hetzelfde dat gebouwen overkomt die worden ontwikkeld inplaats van ontworpen, het werd uitgekleed.

Het door de ministeries van WVC en VROM gefinancierde pakket met stimulerende middelen dat tegenwoordig klaarstaat om de kwaliteit van architectuur en stedebouw te bevorderen, bevat ook opwekkende stoffen ten behoeve van de opdrachtgever. Het behoort onder andere tot de taken van het Architectuurinstituut om de opdrachtgever, de projectontwikkelaar te helpen opvoeden, hem te doen inzien dat goede architectuur samenhangt met letterlijk en figuurlijk kostbare details, met duurzame materialen, met zorgvuldige afwerking. Maar de eerste en misschien wel enige keer dat het Nederlandse Architectuurinstituut zich een voorbeeldig opdrachtgever had kunnen, nee, had moeten tonen, gedraagt het zich als de eerste de beste projectontwikkelaar die lak heeft aan de stimulerende middelen van het NAi.

Met het verloop van de bouwopdracht heeft het Architectuurinstituut als opdrachtgever de architectuur een slechte dienst bewezen. Vanaf nu kan elke projectontwikkelaar zich achter het NAi verschuilen, als hij baksteen wil vervangen door golfplaat of complete plafonds achterwege wenst laten.

    • Max van Rooy