De koning verloor; Proefschrift over het Nederlandse muziekleven tijdens de bezetting

Moet van kunstenaars in tijden van oorlog meer moreel voorbeeldig gedrag worden verwacht dan van andere staatsburgers, die geen officiële gezagsdragers zijn? Dit is de vraag waar het uiteindelijk om draait bij de beoordeling van kunstenaars tijdens de bezetting. Ook Pauline Micheels raakt in haar proefschrift Muziek in de schaduw van het Derde Rijk over de Nederlandse symfonie-orkesten tussen 1933 en 1945 aan de burgemeester-in-oorlogs-tijd-problematiek.

P. Micheels: Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. Uitg. Walburg Pers Zutphen, 494 blz. Prijs ƒ 49,50

Muziek maken in tijden van dreiging en oorlog - het lijkt ons in vredestijd iets dat wringt en eigenlijk onvoorstelbaar is: ontspanning, plezier en afleiding terwijl het leven wordt bedreigd. Maar muziek helpt mensen zich teweerstellen tegen fysiek geweld en zich te wapenen tegen geestelijke kwelling. In de verwoeste bibliotheek van Sarajewo trad onlangs een kamerorkest op. Temidden van het puin zaten de musici daar keurig te spelen in rokkostuum, alsof er om hen heen niets aan de hand was. Musiceren en het aanhoren van muziek in oorlogstijd geeft zo uitdrukking aan verweer tegen bedreiging en is een teken van hoop, een uiting van verzet.

Muziek maken in tijden van dreiging en oorlog kan ook goedkeuring zijn van agressie, het voorbij gaan aan de schennis van de menselijkheid, het ontkennen van de realiteit. Musiceren onder zulke omstandigheden kan worden aangemerkt als collaboratie met de vijand, zoals Willem Mengelberg, vijftig jaar chef-dirigent van het Concertgebouworkest, na mei 1945 ondervond. Nooit mocht hij meer dirigeren.

Voor de oorlog was Mengelberg de 'koning' van Nederland, de musicus was populairder dan koningin Wilhelmina. Zij vluchtte in 1940 voor de Duitsers, inspireerde het verzet en keerde als winnares terug. Hij kwam vanuit Frankrijk via Duitsland in augustus 1940 terug naar Nederland, legitimeerde de bezetters, trad voor hen op, ging vriendelijk met hen om en verloor met hen.

Het verhaal over de Nederlandse muziek in tijden van dreiging en oorlog wordt verteld door Pauline Micheels in Muziek in de schaduw van het Derde Rijk - de Nederlandse symfonie-orkesten 1933-1945. Micheels promoveerde afgelopen woensdag aan de Universiteit van Amsterdam op dit proefschrift van bijna 500 pagina's. Het is de voortzetting van eerdere studies, gebaseerd op omvangrijk archiefonderzoek en gesprekken met vele betrokkenen.

Ondanks de opsomming van talloze feiten en bijzonderheden schreef Micheels een goed leesbaar en soms zelfs spannend boek met een vaak verbijsterende inhoud. Het biedt een vrijwel compleet inzicht in de financieel en artistiek veelal deprimerende situatie waarin het Nederlandse muziekleven zich in de crisistijd bevond. De toch al geringe overheidssubsidies werden nog verminderd. Het meeste was, zeker in essentie al wel bekend, maar niet eerder zo gedetailleerd in onderlinge samenhang beschreven.

Micheels laat zien hoeveel de Nederlandse musici wisten of konden weten wat er sinds de machtsovername door de nazi's in Duitsland op cultureel gebied aan anti-semitisme gebeurde. Arturo Toscanini, destijds 's werelds beroemdste dirigent, weigerde in 1933 er nog op te treden. Bruno Walter - onder Mengelberg ook 'eerste dirigent' van het Concertgebouworkest - werd in hetzelfde jaar het werken onmogelijk gemaakt. Bij aankomst in Amsterdam werd hij voor het Centraal Station begroet door een grote menigte en het koor De Stem des Volks.

'Ontaarde' muziek van de Tweede Weense School (Schönberg, Berg en Webern) maar ook van Hindemith en anderen werd in Duitsland verboden. En 'joodse' muziek werd verboden: Mahler, bij voorbeeld, en Mendelssohn, wiens standbeeld in Leipzig in 1936 werd omgehaald. Pas in maart dit jaar werd er weer een opgericht. Over de nazificering van de Duitse cultuur werd uitvoerig en vaak verontwaardigd bericht in kranten en muziektijdschriften.

Micheels beschrijft hoe de orkestmusici tijdens de oorlog hun kunst beoefenden. Aanvankelijk, in mei 1940 leek het er bijna op dat er nauwelijks iets was gebeurd en hernam het kunstleven zijn gewone loop. Behalve dan in Rotterdam, waar tijdens het bombardement De Doelen was verwoest, de bibliotheek en vele instrumenten van het Rotterdams Philharmonisch Orkest waren verbrand. Maar op 16 juni gaf het orkest onder leiding van Eduard Flipse alweer een concert, in de Kralingse manege.

Gedetailleerd wordt beschreven hoe de Nederlandse Organisatie van Kunstenaars werd opgericht, bedoeld om zoveel mogelijk de Duitsers van zich af te houden, wat uiteindelijk niet lukt. Daarna worden de kunstenaars en musici door de bezetter met behulp van Goedewaagen en Goverts via de Kultuurkamer en Muziekgilde in de houding gezet. Tegelijk wordt hun maatschappelijke en financiële positie beter geregeld dan ooit tevoren. Allerlei lang bestaande wensen (beroepserkenning, pensioen) worden vervuld en dat alles zal ook na de oorlog in stand worden gehouden. Omstreden

Uitvoerig wordt verteld over de gang van zaken in 1941 bij het ontslag van joodse musici, van wie een aantal terechtkwam in Het Joodsche Symphonie Orkest, dat slechts kort bestond. Merkwaardig is het te lezen hoe na acht jaar van officieel en fanatiek Duits anti-semitisme de arisering van het Concertgebouworkest op bijna onschuldige wijze werd ingeluid door de joodse musici wat uit het zicht van het publiek te plaatsen. Van de uiteindelijk 57 ontslagen joodse musici bij alle orkesten overleefden 28 de oorlog niet.

En minutieus wordt beschreven hoe na de bevrijding de musici en dirigenten werden beoordeeld op de morele aspecten van hun beroepsuitoefening. Het muziekleven werd stilgelegd voor de zuivering. Die vond op een wettelijk nogal aanvechtbare manier plaats, had een veelal beschamend verloop en was fel omstreden. Beroep was aanvankelijk niet mogelijk. Willem Mengelberg mocht, onder andere wegens zijn toast op de overwinning van Duitsland in Nederland, nooit meer dirigeren na een 'proces' tegen hem waarbij hij niet werd gehoord. Hij werd zelfs niet op de hoogte gesteld van de uitspraak. Eduard van Beinum, de tweede man van het Concertgebouworkest, die tijdens de oorlog in Dresden had gedirigeerd en met het orkest had gezorgd voor de muzikale begeleiding bij Duitse propagandafilms, kwam er met een reprimande vanaf. Eduard Flipse werd aanvankelijk voor drie jaar een dirigeerverbod opgelegd, maar werd uiteindelijk gerehabiliteerd.

Micheels stelt in een slotbeschouwing een aantal bekende zaken opnieuw met enige scherpte vast. “Door-spelen, ook al diende dat propaganda, was voor de orkestmusicus even normaal als het door-werken voor de meeste andere Nederlanders.” Dat raakt aan de burgemeester-in-oorlog-problematiek: tot hoever kan men gaan, had van een ieder geëist kunnen worden dat hij ontslag zou nemen of in staking zou gaan? Een eenduidig helder antwoord, zelfs achteraf, bestaat daarop niet.

Waar het uiteindelijk om ging was de kwestie van de verhouding tussen politiek en kunst. De vraag is of van beoefenaars van muziek, en van kunst in het algemeen, in tijden van dreiging en oorlog meer maatschappelijk en moreel voorbeeldig gedrag mag of moet worden verwacht dan van andere staatsburgers, die geen officiële gezagsdragers zijn. Had Mengelberg met zijn gezag als de 'koning' van Nederland, een daad moeten stellen, zoals weigeren nog op te treden wanneer ook maar één jood uit het orkest moest?

Mengelberg had voor de oorlog, toen hij zeer omstreden concerten in Duitsland dirigeerde, verklaard dat alle kunst onpolitiek moet zijn. “Zij moet juist het verzoenend element voor de menschheid beteekenen.” De Duitsers bemoeiden zich echter juist wèl met kunst en maakten uit wat gehoord moest worden en wat niet gehoord mocht worden. Zo dirigeerde Mengelberg in 1938 in Aken een zeer politiek concert dat begon met een toespraak van de nazi-Musikdirektor en het zingen van het Deutschlandlied en het Horst Wessellied.

Prof. N.A. Donkersloot, na de oorlog aan het hoofd van de zuivering, vond: “Aan den kunstenaar zijn nog andere eischen gesteld, dan alleen dat hij iets moois maakt. Hij heeft ook levensvoorwaarden te beseffen, waaronder de kunst alleen bestaan kan, en die door de bezetters werden aangetast, dat vergt ruggegraat van hem als kunstenaar.”

Het criterium van Donkersloot is in wezen dat van de menselijkheid in een onmenselijke wereld. Lichtvaardige oordelen passen daarover niet. De componist Willem Pijper beschreef het dilemma van de musicus in oorlogstijd op 15 juni 1940 in De Groene Amsterdammer als volgt: “De werkzaamheid van de muzikant ligt op het gebied van de geest en de toegang tot dit hogere niveau wordt in oorlogstijd versperd door een aantal primaire eisen: die van levensbehoud, honger, dorst en vermoeienis. (-) Geschreven en gedrukte muziek kan verloren gaan, instrumenten kunnen vernietigd worden, organisaties en vakgemeenschappen kunnen verdwijnen. Maar de wereld der klanken blijft onberoerd door het oorlogsgeweld.”