De Jiddisch-Vlaamse wereld van Eriek Verpale; Het warme leven in Zelzate

In zijn briefroman 'Alles in het klein' heeft de Vlaamse schrijver Eriek Verpale zijn geboortedorp Zelzate vereeuwigd. Hij kreeg er de NCR-prijs voor en schreef onmiddellijk daarna een boek over wat er toen met hem gebeurde. Een gesprek met een autobiografisch schrijver.

Eriek Verpale: Olivetti 82. Uitg. De Arbeiderspers. 238 blz. Prijs ƒ 34,50.

Alles in het klein. Uitg. De Arbeiderspers. 249 blz Prijs ƒ 34,90.

“Ik ga het er niet afhalen,” zegt Eriek Verpale, als ik hem vraag naar zijn essay over de Jiddische literatuur. “Maar ik kan het je wel laten zien.” Hij neemt me mee naar het uiteinde van de boekenkast en wijst naar een dikke, uitpuilende map die tegen het plafond aanligt. Een zwart lint houdt de inhoud bij elkaar. Op de band staat de werktitel: E. Verpale - De Jiddische literatuur.

Het bestaat dus echt. In de autobiografische boeken die de Vlaamse auteur Verpale (1952) de laatste jaren heeft gepubliceerd wordt geregeld verwezen naar een essay over Jiddische literatuur dat hij wil schrijven, maar ik had niet gedacht dat het zo tastbaar was. Het essay vervult in de boeken vaak de functie van tegenwicht, een tegenwicht tegen de moeizame omgang van de hoofdpersoon met de literatuur en het leven. Het zou ook een symbool kunnen zijn, vergelijkbaar met Reves Boek van het Violet en de Dood. Als het niet goed gaat met het schrijven of met de liefde, is het essay over de Jiddische literatuur een laatste houvast.

Verpale vertelt al meer dan twintig jaar bezig te zijn aan wat een standaardwerk moet worden over dit onderwerp. In het boek wil hij een aantal langere artikelen bundelen over de belangrijkste periodes, over de regio's waar de taal werd geschreven, en over bijzondere uitingsvormen zoals het Jiddische theater. Hij ziet dit als het belangrijkste wat hem de komende jaren te doen staat. “Veel mensen denken dat Isaac Bashevis Singer en Sholem Aleichem de enige schrijvers zijn die in het Jiddisch hebben gepubliceerd, maar heel wat anderen halen hetzelfde niveau en zijn totaal onbekend.”

Eriek Verpale is in Nederland en Vlaanderen tot nu toe vooral bekend als schrijver van literair werk. In december vorig jaar kreeg hij voor zijn autobiografische roman Alles in het klein (1990) de NCR-prijs, het Belgische equivalent van de Nederlandse AKO-prijs. Sindsdien weet iedere Vlaming wie hij is. In zijn onlangs verschenen boek Olivetti 82 beschrijft Verpale de gevolgen van de rechtstreeks door de televisie uitgezonden prijsuitreiking. Scholieren kwamen langs omdat ze een scriptie over hem wilden schrijven, moeders zagen hem als geschikte huwelijkskandidaat, bankiers probeerden hem een beleggingsrekening aan te smeren, duistere briefschrijvers wilden weten hoe Vlaams de naam Verpale is, hij werd uitgenodigd voor spelletjesprogramma's op de tv en er kwamen plotseling interviewers en fotografen over de vloer.

Buitenwipper

Eriek Verpaele woont samen met zijn 15-jarige zoon in het Vlaamse dorp Zelzate, de plaats waar hij 41 jaar geleden geboren is. Naar hij zegt is hij hier acht jaar geleden teruggekeerd omdat hij er werk kon vinden en een betaalbare woning. Maar wie zijn boeken kent vermoedt dat er meer is dat hem aan deze plaats bindt. Hij beschrijft met veel warmte het leven in de wijk De Katte waar hij een klein huurhuisje ('alles in het klein') bewoont. Hij vertelt over zijn bezoek aan de café's in de buurt, over zijn ervaringen als buitenwipper, dat wil zeggen uitsmijter in een discotheek en over de plaatselijke meisjes. Over het café van moeder Zulma, waar zijn vader soms komt boogschieten, schrijft hij: 'omdat hij een goed schutter is word ik, zijn zoon, dikwijls getrakteerd. Wat ik zoal doe voor mijn stiel, vragen de mensen dan. Ik werk op een fabriek. Wáár? Op Rhône-Poulenc. Ach zo. Allez, pak er nog ene.''

Hij zou niet graag de geschiedenis ingaan als de chroniqueur van Zelzate, zegt hij, maar in Alles in het klein en Olivetti 82 heeft hij inmiddels heel wat uit de omgeving vereeuwigd. In de auto van Verpale rijden we het dorp binnen. Zelzate ligt dicht tegen de Nederlandse grens, onder de rook van de petrochemische industrie. In het begin van de vorige eeuw is het plaatsje radicaal in tweeën gesneden door het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Aan de ene kant van het water ligt nog altijd de oude dorpskern, met het grote marktplein, de discotheek en het kerkje. Aan de andere kant zijn de fabrieken met de daarbij behorende arbeiderswijken. Verpale: “Het volk moest onder de rook van de schoorstenen wonen.”

Ik herken alles uit de boeken, Klein Rusland, de petieterige arbeiderswijk, het gelijknamige café. Verpale laat zien dat de wijk veel van zijn oorspronkelijke charme heeft verloren. De oorspronkelijke kubusvormige huurwoningen, een ontwerp van de door de Stijl beïnvloede Huib Hoste, zijn aan de bewoners verkocht en zij hebben er in de loop der jaren veel aan veranderd.

Voor veel lezers kwam Alles in het klein drie jaar geleden als een volslagen verrassing. De toen 38-jarige Verpale had in de jaren zeventig in het door hem mede opgerichte tijdschrift Koebel gepubliceerd, er waren gedichten van hem verschenen bij een paar kleine Vlaamse uitgeverijtjes en in 1979 kwam de Nederlandse uitgeverij In de Knipscheer met zijn prozabundel Een meisje uit Odessa. Maar dat leek in de verste verte niet op het autobiografische bekentenisproza uit Alles in het klein. In dit prozadebuut staan korte tot zeer korte verhalen. Zoals hij zelf zegt: verhalen in Oost-Europese trant. Ze doen denken aan parabels. Ze zijn plechtig verwoord en van een hoog abstractieniveau, maar authentieke of eigentijdse elementen ontbreken. In één van de verhalen gaat het over een man die nooit zijn huis uitkomt. Hij gaat alleen weg als zijn zoon dat goedvindt, en die geeft alleen toestemming als hijzelf een vrouw verwacht. Verpale schrijft: “Zo ging zijn leven alsmaar verder, en zoals het geweest was vanaf zijn eerste levensuur, en gedurende zijn hele leven, zo bleef zijn ganse doen en laten besloten in de macht der vrouwen.”

Na zijn debuut was het lange tijd griezelig stil gebleven. Het boek werd nauwelijks verkocht en Verpale raakte, zoals hij nu zegt, ontmoedigd. “De recensies die verschenen waren geweldig, maar de oplage moest bijna integraal worden verramsjt.” Hij heeft nog altijd het gevoel dat zijn uitgever het indertijd nogal heeft laten afweten. Hij vertelt hoe hij eens naar een voorlees- en signeersessie moest in een Nederlandse boekhandel en daar toen geen enkel boek van zichzelf aantrof. Maar belangrijker was waarschijnlijk dat Verpale na het verschijnen van zijn debuut op drift raakte. “Het ging me privé erg slecht, om het dramatisch uit te drukken.” Hij verliet vrouw en kind en trok anderhalf jaar met een vriendin door Europa, naar Praag, naar Londen.

Naar zijn overtuiging is deze andere manier van leven achteraf van grote invloed geweest op zijn huidige schrijven: “Ik had een tijdlang geen dak meer boven mijn hoofd. Ik kon daardoor niet langer meer schrijven over zoiets als een koetsier die van het ene dorp naar het andere trekt. Ik wilde schrijven over wat ik meemaakte. De noodzaak om het over mezelf te hebben werd veel groter. Op het moment dat het mes je op de keel staat, ga je nu eenmaal anders praten dan wanneer je rustig de tijd hebt. Zo was het in ieder geval bij mij.”

Met de Hasseltse dichter Luuk Gruwez, die hij in zijn studententijd in Gent had leren kennen, begon Verpale een intensieve correspondentie waarin hij zijn aandrang om te vertellen wat hij meemaakte kwijt kon. De brieven die hij aan hem schreef zouden de basis worden voor zijn roman. Hij haalde hierin herinneringen op aan zijn jeugd en hij schreef over zijn teleurstellende liefdes. Gruwez die wel doorhad dat de brieven verkapte verhalen waren, drong erop aan dat hij er meer mee zou doen. Uiteindelijk kreeg de Nederlandse schrijver Benno Barnard de enorme stapel brieven op een dag ter inzage en hij ging ermee naar zijn toenmalige uitgever Theo Sontrop.

Twee weken later had Verpale een enthousiaste brief van De Arbeiderspers, met een contract voor een boek: “Sontrop schreef: Geachte heer Verpale, zoals afgesproken zullen we uw boek zo snel mogelijk uitgeven. Gelieve het manuscript binnen drie maanden in te leveren.”

Maar er was nog helemaal geen boek. “Gelukkig was Sontrop zo verstandig geweest een voorschot te storten,” zegt Verpale, “ongevraagd en zonder dat ze me kenden. Dat werkte als een stok achter de deur. Ik moest toen wel snel iets met die brieven doen.”

Voor Verpale stond vast dat ze niet zonder meer gebundeld moesten worden. “Dan heb je een brievenboek, geen roman. Het minimumvereiste was voor mij dat er een structuur in zou worden aangebracht. Het ene moest verwijzen naar het andere en omgekeerd. Ik heb daar een paar maanden over nagedacht en kwam toen uit op de huidige vorm. In het eerste deel staan verhalen, daarna brieven. Maar als je goed kijkt zie je dat alles wat in het eerste deel staat terugkomt in het tweede, maar dan gespiegeld. De hoofdfiguren in het eerste deel worden bijfiguren in het tweede, en omgekeerd. Al naar gelang je er langer in leest zie je beter hoe de details met elkaar te maken hebben. Daarom noem ik Alles in het klein ook bewust een roman.”

In Olivetti 82 gebeurt eigenlijk hetzelfde als in Alles in het klein, maar dan in omgekeerde richting. Het boek bestaat voor driekwart uit de brieven en dagboekfragmenten uit de tijd na het winnen van de NCR-prijs. Het andere kwart is de tekst van een toneelstuk. In beide gedeelten komen dezelfde elementen voor. Mensen die Verpale brieven schreven, vinden hun naam in het toneelstuk terug. De brieven en dagboekfragmenten geven vaak zicht op achtergronden van het toneelstuk. Verpale: “Ik laat zien hoe ik vanuit de werkelijkheid iets heb omgevormd tot fictie.

Poetsvrouw

Verpale had zich voorgenomen om op 31 januari 1993 een streep te zetten onder alle activiteiten die het gevolg waren van het winnen van de NCR-prijs en verder te werken aan een roman. “Maar wat gebeurt?” zegt hij, “Eind januari komt de acteur Bob de Moor van de theatergroep Malpertuis met het verzoek een avondvullend stuk te leveren. De acteur Dries Wieme, met wie Malpertuis een produktie zou maken, was plotseling overleden en er was dringend behoefte aan een ander stuk.”

Het moest een monoloog zijn, dat stond vast, er was geen tijd meer om met verschillende acteurs te gaan repeteren. En het moest binnen een maand af zijn. In maart was de première gepland. In zijn boek beschrijft Verpale de tegengestelde gevoelens die hem na dit verzoek verscheuren. Toneel is niet iets waar hij zijn neus voor optrekt. Hij had altijd al eens een stuk willen schrijven. Maar het zou dan wel goed moeten worden, niet zo'n absurde haastklus. Uiteindelijk stemt hij toch toe. In drie weken tijd schrijft hij de anderhalf uur durende monoloog die, net als het boek, Olivetti 82 heet.

Verpale laat eerst in brieven en fragmenten zien wat hem het afgelopen half jaar is overkomen en geeft dan de tekst van het toneelstuk dat in diezelfde tijd is ontstaan. “Na het voltooien van het toneelstuk ben ik mijn papieren gaan ordenen,” zegt hij, “en toen bleek dat ik tussen het krijgen van de NCR-prijs en het inleveren van het toneelstuk zeer veel had geschreven dat zich laat lezen als een verhaal.”

Het toneelstuk is het verhaal van een half-joodse man die na een misdrijf is opgepakt en aan een psychiater of rechercheur vertelt 'hoe alles begonnen is'. Hoewel er maar één acteur is, is het een gecompliceerd stuk. De moeder van de man blijkt na de bevrijding een verhouding te hebben gehad met een Canadese soldaat. Hij is zijn vader. De vrouw is echter niet met de Canadees getrouwd. Hij was joods, wat een huwelijk al lastig maakte en bovendien had de arts bij wie ze als poetsvrouw werkte haar in dezelfde tijd een huwelijk voorgespiegeld. Als de man zich ten einde raad in de joodse wereld begeeft om een duidelijke identiteit te krijgen, wordt hij daar afgewezen omdat hij geen echte jood is. Verpale: “De man is een soort trechter. Alles uit het verleden komt bij hem samen, met alle gevolgen van dien.” Ook in de taal die hij spreekt komt dit tot uiting. Er wordt Nederlands gesproken, Vlaams dialect, Frans, er zit Jiddisch in, maar er komen ook katholieke uitdrukkingen in voor. Verpale leest me de laatste bladzijde van de monoloog voor, waarin, in de vorm van een gebed, de verschillende elementen elkaar snel afwisselen:

“Hé magere: breng me kaarsen! Met Mossel is het begonnen. Hé Mossel, hoort ge mij? En moeder, hoort ge mij? Ik wil dansen, Kijk. Het is sjabbes. Vrede, moet er zijn. Sjolem. Dit is een festdag: a jom tov. Sjolem moet er zijn, oif die gantser velt. In Israel. In Canada. Can you hear me, Cohen? En papa, papa, papa hoor je mij? En moeder? En Mossel? En Claudineke: hoort gj mij? Lichtik sei-jen die sjtern, maar Eloï, Claudineke, Eloï: Lama, lama sabaktini?”

Tot Verpales verbazing is het stuk een daverend succes geworden. In Vlaanderen trok het volle zalen waarna het werd genomineerd voor het Nederlands Theaterfestival. Verpale, die nu een aantal voorstellingen heeft bijgewoond, vertelt hoe er tegen het eind, als duidelijk wordt aan welk misdrijf de man zich heeft schuldig gemaakt, door veel toeschouwers een schok gaat. “In het eerste uur heeft het publiek zich met de hoofdpersoon geïdentificeerd. Ze applaudisseren voor hem. En dan merken ze plotseling dat ze hebben geapplaudisseerd voor iemand die iets gruwelijks heeft gedaan. De man is een moordenaar en heeft ook nog jarenlang zijn eigen dochter misbruikt.”

Op de persconferentie bij de première en in interviews heeft Verpale steeds geweigerd te zeggen waar het stuk over gaat. “Ik wilde het publiek niet op voorhand een hint geven. Aan het begin, als hij begint te praten, vindt iedereen de hoofdpersoon een vreemde man. Daarna vinden ze hem een komiek. Tot dan het cruciale moment aanbreekt.”

Verpale maakt duidelijk dat het hem in dit stuk niet om die misdaad gaat, maar vooral over de vraag hoe iemand ertoe kan komen zoiets te doen. “Het stuk gaat over collaboratie, over de joodse identiteit, over repressie. De hoofdpersoon is weliswaar de dader, maar hij is niet de enige schuldige. Hij is zijn hele leven van de ene naar de andere kant geslingerd. Hij is vergeefs op zoek geweest naar zijn vader, zijn moeder heeft hem aan de kant geschoven. Als hij trouwt wordt hij door zijn vrouw verlaten. Hij valt van alle stoelen waarop hij wil gaan zitten. Iedereen heeft aan het misdrijf bijgedragen, zonder dader te zijn.”

Tango

In het stuk speelt het Jiddisch een belangrijke rol. De hoofdpersoon heeft een boek geschreven over de Pools-Jiddische zanger Mordechai Gebirtig (1877-1942), die onder meer de tango 'Kum, Lejbke, tanzen' schreef. Tijdens de sleutelscène van het stuk wordt het lied via een bandrecorder ten gehore gebracht. De man is met zijn verhaal aangekomen op het moment dat hij met zijn dochtertje naar de Zoo in Antwerpen is gegaan en in een restaurant danst hij met haar de tango. Vanaf dat moment verandert er iets in zijn houding tegenover het meisje. “Koem Lientje, zei ik, tanzn. Sjäm sich nicht. Ich wel dich firn schrit baj schrit. En dát was mooi! Oi, dat was mooi! En de mensen om ons heen! Ze applaudisseerden! Voor ons.”

Verpale geeft toe dat het vergeefse zoeken naar een identiteit autobiografisch is. In Alles in het klein beschrijft hij hoe hij als katholiek jongetje grotendeels is opgevoed door zijn joodse overgrootmoeder. Zijn moeder werkte, net als de moeder in het toneelstuk, als poetsvrouw. Zijn vader was chauffeur bij een Gentse brouwerij. De kleine Eriek bracht hele dagen door bij de oude vrouw in haar piepkleine huisje.

Hoe zijn overgrootmoeder ooit in Vlaanderen is terechtgekomen weet hij nog steeds niet. “Het is een vreemde geschiedenis waar ik niet wijs uit raak. Bij ons thuis werd er nooit over gesproken, om wat voor redenen weet ik niet.” Toen hij later in zijn studietijd meer over het jodendom hoorde en zich er in wilde verdiepen, was zijn overgrootmoeder overleden. Het enige wat hij te weten kwam was dat ze aan het eind van de vorige eeuw als meisje uit het Litouwse Vilnius naar België moet zijn gekomen waar ze getrouwd is met een Vlaamse seizoenarbeider.

Van zijn grootmoeder leerde Verpale zijn eerste Jiddische woorden, en ook het Hebreeuwse alfabet waarin 'onze taal', zoals ze zei, geschreven wordt. Toen zij op haar oude dag haar boeken zelf niet meer lezen kon, moest Verpale ze aan haar voorlezen. “Waar het over ging wist ik niet,” zegt hij, “maar de klanken zijn blijven hangen.”

    • Reinjan Mulder