De afdaling naar de dreigende aarde; Marten Toonders herinneringen aan de oorlog

Marten Toonder: Het geluid van bloemen. Uitg. De Bezige Bij, 464 blz. Prijs ƒ 39,50

Dit is, schrijft Marten Toonder in het deze week verschenen tweede deel van zijn autobiografie, het verslag van 'vijf verstreuvelde jaren'. Een typisch Toonder-woord, dat associaties oproept met een ruige, verwarde en ook langzamerhand enigszins in de mist der tijden vervluchtigde periode: de jaren 1939 tot 1945, waarin de beginnende striptekenaar en illustrator op basis van één succesfiguurtje (Tom Poes natuurlijk) uitgroeit tot directeur van een tekenfilmbedrijf dat middenin de oorlog zo'n zeventig employés aan het werk houdt en daarmee behoedt voor tewerkstelling in Duitsland. Het geluid van bloemen vertelt, kortom, het verhaal waar de Toonder-vorsers het meest naar hebben uitgekeken: de start van de fameuze strip in de collaborerende Telegraaf, het bewust getraineerde werk aan een Tom Poes-film die in Duitse opdracht zou worden gemaakt, een als hulpstudio vermomde drukkerij voor de illegaliteit - al die vreemde avonturen in het grijze gebied tussen goed en fout waarover het zo moeilijk is een oordeel uit te spreken.

Echt nieuws heeft Toonder er niet meer over te vertellen, nadat hij de afgelopen jaren in een paar lange interviews al had uitgelegd hoe hij op het idee voor Tom Poes was gekomen en er niets kwaads in had gezien zijn schepping te publiceren in de van Amerikaanse strips verstoken Telegraaf, hoe toen het a-politieke, maar Duitse filmbedrijf Degeto wilde investeren in een tekenfilm en hoe hij daardoor in staat was geweest een studio op te richten die tevens dekmantel werd voor illegaal werk. Hij vertelt het nu alleen veel gedetailleerder, met alle zakelijke en huiselijke kopzorgen die eraan vastzaten, en met een ondertoon van spijt over het verlies van de knusse begintijd, toen hij nog samen met zijn Phiny thuis verhalen zat te verzinnen: “De oorlog had daar een einde aan gemaakt, en daardoor veranderde onze onderlinge verhouding ook heel langzamerhand. Zonder dat we het merkten, daalden we uit onze ivoren toren naar de dreigende aarde en werden we materiëler.”

Een apologie is het boek niet, maar een heldenverhaal evenmin. Zo objectief als hij maar kon, heeft Toonder zich een weg gebaand tussen de historische publikaties die intussen over zijn oorlogswerk zijn verschenen. De Telegraaf had hem op het hart gebonden de Tom Poes-strip volledig te vrijwaren van actuele toespelingen, schrijft hij, en daar hield hij zich aan. Daarmee zijn de dubbele bodems die Hans Mulder (in Een groote laars, een plompe voet) in de oorlogsstrips meende te zien, naar het rijk der fabelen verwezen. En daarmee is tegelijk de aanval gepareerd van wijlen Adriaan Venema, die de stellingen van Mulder in Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie gemakshalve ook aan Toonder heeft toegeschreven. Toonder polemiseert trouwens met geen van beiden, hij heeft slechts opgeschreven hoe het volgens 'mijn geheugen en gevoel' is gegaan.

Venema's giftige pijlen waren tevens gericht op het bij de Toonder-studio's vervaardigde blad Metro, dat vanaf eind 1944 bij de rest van de illegale pers ergernis opwekte door zijn luchthartige toon en zijn spot over het verbeten proza van het verzet. Het is jammer dat Toonder nu niet dieper ingaat op de beweegredenen en de werkwijze van de toenmalige Metro-redactie; hij vertelt alleen dat het blad werd opgericht en dat hij eraan meewerkte. En voor zover hij melding maakt van andere illegale bladen, gebeurt dat met niets dan respect.

Misstap

Eén andere bekritiseerde episode ontbreekt geheel: zijn lidmaatschap van de zogenaamde Filmtaalcommissie van het nazistische Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten, die zich zou gaan beijveren voor een zuiver taalgebruik. “Nadat hij in de gaten kreeg dat het hier om een 'NSB-gedoe' ging,” schreef Mulder, “liet de tekenaar zich niet meer zien.” Het lijkt, zoveel jaar na dato, een nogal onnozele misstap - want in 1944 kan het niet moeilijk zijn geweest de dubieuze motieven van zo'n commissie al bij voorbaat te doorzien. Toonder zwijgt erover; misschien omdat hij het gewoon vergeten is, net als de Tom Poes-kindervoorstellingen van Wim Sonneveld (op tekst van Hella Haasse) die ook niet worden vermeld.

Maar los van alle controverses laat Het geluid van bloemen zich bovenal lezen als een evocatief relaas over de dofheid van die jaren, 'een tijd zonder lichtpunten of idealen', waarin Toonder zich verbaast over de menselijke slaafsheid, die hij tegelijk toeschrijft aan de Duitsers en hun handlangers èn aan de joden 'die als één volk samensmolten wanneer ze als afkeurenswaardige horde werden opgeroepen'. Zulke oordelende passages zijn overigens zeldzaam. Ook de mensen met wie hij samenwerkte, komen er grotendeels genadig af, inclusief zijn tijdelijke compagnon Joop Geesink, een heel ander type dan Toonder, die hier mooi wordt geportretteerd als een man die alles gróót wilde zien en vaak 'Mart, ouwe reus!' riep.

“Ik was erbij, en ik keek ernaar,” heet het ergens. Dit zijn herinneringen aan grijze gestalten, desolate straten, plezierloze gezichten en tenslotte de hongerwinter: “een kamer vol damp uit een pot met suikerbieten; en nog altijd zie ik Phiny schimmig door de nevels heen bij het noodkacheltje staan roeren.”

Zichzelf kenschetst Marten Toonder als een man die het liefst alles verdrong wat hem onaangenaam voorkwam, en die trachtte zich zoveel mogelijk in zijn tekeningen te verliezen: “Dat was de andere wereld die ik, diep in mijn hart, belangrijker vond dan de alledaagse.” Soms komt het mij bijna onwaarschijnlijk voor hoe vaak hij van anderen over het verloop van de oorlog moest horen en hoe weinig hij daarvan kennelijk zelf op de hoogte was. Als een Telegraaf-redacteur hem eind 1944 waarschuwt dat de krant in SS-vaarwater belandt en dat hij maar beter kan stoppen met de strip (“anders kunt u na de oorlog last krijgen”), nemen Phiny en hij het blad maar eens ter hand - en inderdaad: Tom Poes viel nu wel erg uit de toon 'vergeleken bij de frontberichten en de culturele artikelen van de NSB'.

Intussen heb ik zelden een boek gelezen dat zó minutieus onder woorden brengt hoe het in de oorlog moet zijn geweest voor iemand, die probeerde zich staande te houden in het grauwe moeras tussen de ware collaboratie en het compromisloze verzet. Toonder is met zijn memoires een geheel nieuwe schrijfcarrière begonnen, die hopelijk nog heel wat vervolgboeken oplevert.