Bij goudgerande omroepgaranties is kijker niet gebaat

Over het wetsvoorstel versterking publieke omroep hebben de hoogleraar Dommering, Geersing van de NOS, en Geurtsen (Commissariaat van de Media) vorige maand op deze pagina harde noten gekraakt. Maar een paar noten bleven ongekraakt achter. Zoals het feit dat het wetsvoorstel geen rekening houdt met de snel veranderende buitenwereld.

Dat de buitenwereld van de publieke omroep aan het veranderen is, zal weinigen ontgaan zijn. Anders dan in het verleden heeft de publieke omroep met concurrentie te maken, waardoor men zijn plaats in het medialandschap met anderen moet delen. Er zijn ook talloze maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het sleets raken van ideologieën, het ontstaan van een multiculturele samenleving, de tendens naar individualisering en de reacties daarop.

Ook de technologische ontwikkelingen zorgen voor veranderingen: er komen andere vormen van informatie, zoals abonneetelevisie, pay per view, videotext, enzovoort. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat we niet langer kunnen pretenderen te weten hoe het medialandschap er over vijf of tien jaar uitziet. Er zou bijvoorbeeld een verschuiving op kunnen treden naar meer individueel afneembaar en verrekenbaar aanbod. Als we dan een publieke sector in stand willen houden, zal de wetgever het mogelijk moeten maken dat op de nieuwe situatie kan worden ingespeeld. Dat doet het wetsvoorstel dus niet.

Maar dat is niet het enige. Ook op mogelijke ontwikkelingen in de omroep zelf wordt een rem gezet. Want in feite is het wetsvoorstel een fixatie van de status quo. Als dat het doel is, noem dan man en paard en maak een wet waarin vastgelegd wordt dat de AVRO, de TROS en de VPRO en al die anderen zendtijd houden. Het wetsvoorstel beoogt omroepverenigingen een zendtijdgarantie te verlenen voor tien jaar. Met begrip voor de behoefte aan 'vastigheid' die alle instituten eigen is en met sympathie voor alle omroepverenigingen en sommige in het bijzonder, lijkt mij het bieden van langdurige zekerheid aan omroepinstellingen niet het belang dat hier gediend moet worden. Centraal dient te staan het belang van een breed en gevarieerd informatie-aanbod. Een goudgerande garantie voor zendtijd als hier gegeven wordt, zou dat belang wel eens kunnen schaden. Bijvoorbeeld als de financiële middelen schaars zijn en teveel zendgemachtigden die zendtijd met elkaar moeten delen, waardoor zij niet meer toekomen aan hun taak: het brengen van goede programma's. Het wetsvoorstel en de toelichting daarop laten deze kwestie ten onrechte liggen.

Erger nog vind ik het feitelijke einde van de openheid van het Nederlandse omroepbestel, want dat was eigenlijk de kern. Volgens het wetsvoorstel mogen nieuwe omroepen pas acht jaar na de verlening van zendtijdgaranties aan de bestaande omroepverenigingen binnenkomen. Een open systeem houdt naar mijn idee in dat nieuwkomers met voldoende steun altijd kunnen binnentreden. En dat kan, gerelateerd aan de beschikbare middelen, betekenen dat een van de zittende omroepverenigingen het veld moet ruimen. Een wezenlijk open bestel zou ook ruimte moeten bieden aan nieuwe toetreders, die demografische, culturele en andere veranderingen reflecteren. Dit voorstel is er voornamelijk op gericht het oude te behouden, haalt de mogelijkheid tot meegroeien met veranderingen bij de omroep weg, is daardoor conservatief en tast op die manier ook de vitaliteit van het bestel aan.

Dan ligt er nog een ongekraakte noot. In 1988 ging het derde net van start, bedoeld als een zender die zich nadrukkelijk zou richten op kleinere groepen met uiteenlopende behoeften en interessen. Dit net werd bespeeld door de NOS en de kleine zendgemachtigden, zoals IKON en Humanistisch Verbond. Plezierig voor mensen die niet zo van quizzen en soap houden. Dit idee is inmiddels weer verlaten en de publieke omroep heeft nu drie netten waarop breed geprogrammeerd wordt. Niet zo plezierig voor mensen die niet zo van quizzen en soap houden. Dit alles sluit aan bij de gedachte dat er op de drie netten gelijkwaardige partners moeten samenwerken. Voor dit doel wordt in het wetsvoorstel met instemming van Hilversum (!) de NOS in tweeën gehakt. Er komen twee instituten met eigen besturen. Eén NOS gaat de gezamenlijke programma's brengen (journaal, sport) en de andere bijzondere programma's (cultuur, minderheden). Voor dit doel wordt de programmastaf in tweeën gekliefd. Ik denk dat netsamenwerking ook mogelijk is zonder dat het creatieve deel van de NOS-organisatie dat voor de invulling van programma's moet zorgen, uit elkaar wordt getrokken. In feite wordt de NOS opgeofferd aan samenwerking op de netten en de neiging om op drie netten breed te programmeren. Daarmee zijn we op de verkeerde weg: de NOS mag wel bijdragen aan een brede programmering, maar zal zich ook en misschien wel vooral moeten richten op programma's die zich in een minder grote populariteit mogen verheugen.

Laat er geen misverstand over bestaan: de versterking van de publieke omroep is een nastrevenswaardig doel. Daarvan heeft de Mediaraad in verschillende adviezen blijk gegeven. Maar dan dient deze vraag richtinggevend te zijn: hoe stellen we de publieke omroep in staat om zijn taak te vervullen in een veranderende omgeving? Het wetsvoorstel maakt op dit punt de verkeerde keuzes, is star en niet in staat op veranderingen in te spelen. Dat is vooral slecht voor de publieke omroep als geheel en de functie die hij vervult. En daarmee is het slecht voor het publiek, om wie het allemaal begonnen is.

    • André van der Louw