Atletiekfonds beschermt de illusie van het amateurisme

HELMOND, 5 NOV. Het is een jubileum van niks, en dan ook nog van een onbekende stichting. Wel van een stichting, waarmee alle Nederlandse topatleten steeds te maken krijgen. Een stichting die hun amateurstatus moet waarborgen en hun financiële ondersteuning regelt. Op 16 november bestaat de stichting Atletiekfondsen elf jaar.

Als Bert van Vlaanderen in de Rotterdamse marathon een ereplaats verovert, levert hem dat geld op, maar die centen krijgt hij nooit in handen. Eerst moet dat geld worden overgemaakt naar de stichting Atletiekfondsen, waar het op het conto van Van Vlaanderen wordt bijgeschreven. Pas als hij aantoont kosten te hebben gemaakt om zijn sport te beoefenen, kan hij over dat geld beschikken. Tot het bedrag waarvoor hij kosten heeft gemaakt.

Het mag misschien wat hypocriet lijken in een tijd dat sprinters als Linford Christie en Carl Lewis honderdduizenden dollars aan startgeld incasseren, om nog niet eens te spreken over hun sponsorcontracten, maar de Internationale Amateur Atletiek Federatie (IAAF) houdt nog altijd vast aan de illusie van het amateurisme. Anders zou ze haar naam moeten veranderen.

Om de kloof tussen theorie en praktijk niet al te groot te maken, om de geloofwaardigheid niet helemaal te verliezen, was de federatie in de beginjaren tachtig wel bereid tot een concessie. Atleten mochten voortaan geld aanvaarden om hun onkosten te dekken. Wat ze meer verdienden, moest blijven staan op een geblokkeerde rekening. Daar mochten ze pas aankomen als ze met de wedstrijdsport stopten. Als startkapitaal voor een maatschappelijke carrière. Als compensatie voor geïnvesteerde arbeid.

Wat wordt verstaan onder 'toelaatbare kosten' die uit het fonds gedekt mogen worden, dat leren de reglementen. Uitgaven voor sportkleding uiteraard. Verder aanschaf van contactlenzen, meetlint, video-apparatuur. Ook de kosten van verzekeringen, medische en paramedische begeleiding, coaches, trainingsstages, reizen kunnen worden gedeclareerd bij het fonds. De reglementen staan zelfs loonderving toe.

Maar de compensatie voor werkverlet kent wel grenzen. Al weet niemand waar die liggen, ook Hans van Hassel niet. Van Hassel is penningmeester van de KNAU en voorzitter van de stichting Atletiekfondsen, die verder nog wordt bestuurd door een secretaris-penningmeester en een vertegenwoordiger van de atleten. Hij is ook al sinds 1967 voorzitter van de Helmondse Atletiek Club HAC.

In de praktijk wordt de grens vaak bepaald door het saldo van een atleet, zegt Van Hassel. Want hoeveel Nederlandse atleten verdienen er nu eigenlijk aan hun sport? Bij de stichting Atletiekfondsen staan er 75 ingeschreven. Maar de meesten vangen jaarlijks nog geen paar duizend gulden. “Aan onkosten zijn ze meer kwijt dan ze aan inkomsten binnen halen”, zegt Van Hassel. Dan is er voor werkverlet geen geld.

De enkelingen, de bevoorrechten, die wel substantiële bedragen verdienen bij internationale baanwedstrijden of in het Nederlandse wegcircuit, kunnen niet-gewerkte dagen uit het fonds compenseren. Maar niet onbeperkt. Tenslotte staat de internationale federatie niet toe, dat een atleet kan leven van de sport. Sporters, die veel aan wedstrijden meedoen, kunnen misschien een half loon aan inkomstenderving claimen, zegt van Hassel. “Dan houdt het wel op.”

Daar komen de maandvergoedingen nog bij, die ze krijgen van NOC/NSF en van de atletiekbond. Die bedragen hoeven niet in het fonds te worden gestort, omdat het daarbij gaat om “een andere geldstroom”. Dat ligt “gevoelsmatig toch even anders”, zegt Van Hassel. Hoewel hij onmiddellijk toegeeft dat daarover te bekvechten valt.

Het meeste geld dat binnenkomt bij het fonds, gaat er nog hetzelfde jaar weer uit. Hoe groot die omzet is kan Van Hassel niet zeggen. Wel weet hij wat er overblijft: een vermogen, variërend tussen de anderhalf en drie miljoen gulden. Dat zijn de spaarcentjes van de topatleten: voor als ze niet meer sporten. Maar je moet je op die tegoeden niet verkijken, vindt Van Hassel. Daar kan geen sporter van rentenieren. “Zelfs niet als hij al zeventig zou zijn.”

Of alle verdiensten ook werkelijk in het atletenfonds belanden? “Dat weten we nooit zeker”, erkent Van Hassel. “Dat controleren we ook niet. Het is onze taak niet. En ik zou ook niet weten hoe we dat zouden moeten doen.”

Of ze zich aan de reglementen houden, dat is de verantwoordelijkheid van de atleten. Wel wijst de stichting op de risico's van overtreding. In de woorden van Van Hassel: “Als iemand tegen de lamp loopt, is het: einde rit.”

Een atleet die zich niet aan de amateurbepalingen van de internationale federatie conformeert, verliest automatisch het recht om mee te doen aan atletiekwedstrijden. Ogenschijnlijk een loos dreigement, omdat niemand op de naleving toeziet. Maar in theorie kan de internationale federatie nog elk moment toeslaan, zegt Van Hassel. Al voegt hij er meteen aan toe: “Ik zeg niet dat ze dat zullen doen.” Hij zegt er ook nog bij dat die amateurbepaling wat de KNAU betreft direct geschrapt mag worden.

Een atleet die toch geld aanneemt van een sponsor of een wedstrijdorganisator, kan ook worden gepakt door de fiscus. Nederlandse topatleten zijn zich dat risico maar al te goed bewust, meent Van Hassel. “Daarom hoop en vertrouw en geloof ik dat de meeste atleten zich redelijk tot zeer goed aan de voorschriften houden.”

Het bestaan van de atletenfondsen beperkt de financiële vrijheid van de sporters. De atletenfondsen kosten de sporters ook nog geld: tien procent van de inkomsten met een jaarlijks maximum van 250 gulden. Plus vijf gulden voor elke bij- of afschrijving. Maar die voorziening biedt de atleten ook bescherming. Niet alleen tegen een uitsluiting door de internationale federatie. Ook tegen de fiscus, die de individuele atleten niet meer teistert met controles. Dat nut blijft, zelfs als de noodzaak tot waarborgen van de amateurstatus vervalt.

    • Dick Wittenberg