Als je durft te kiezen, kies je altijd goed; Roman van Rudy Dek over collaboratie en verzet

Rudy Dek: Het duizendste front. Een verhaal van jaren. Uitg. De Arbeiderspers, 295 blz. Prijs ƒ 34,90.

De meeste mensen die na de oorlog zijn geboren, hebben wel eens gefantaseerd over de vraag hoe zij zelf in oorlogsomstandigheden zouden hebben gehandeld. Hoe groot zou hun moed geweest zijn of hoe beschamend hun lafheid? In het werk van Vestdijk, Hermans en Mulisch - om enkele voor de oorlog geboren auteurs - is de kern van het antwoord: dat kun je nooit weten. In hun boeken ontbreekt de absolute tegenstelling tussen goed en fout. Althans, vaak lijkt het toeval van doorslaggevende invloed op de keuze tussen collaboratie en verzet of tussen afzijdigheid en medeplichtigheid.

Het zojuist verschenen debuut Het duizendste front van de in 1956 geboren Rudy Dek, dat het verhaal vertelt van drie scholieren tijdens de bezetting in de provincie Utrecht, is een roman over verzet en collaboratie van iemand die na de Tweede Wereldoorlog is geboren. De impliciete verwijzingen naar Vestdijks Pastorale 1943, De tranen der Acacia's van Hermans en niet te vergeten De aanslag van Mulisch zijn talrijk. Des te meer valt op dat nuance en toeval geen enkele rol spelen in de keuzes waarvoor de hoofdpersonen in dit boek zich geplaatst zien.

Rudy Dek heeft vijftig jaar na dato bedacht dat de tegenstelling tussen verzet en collaboratie niet zozeer niet absoluut is, maar dat deze tegenstelling er absoluut niet is. Welke positie iemand ook heeft ingenomen, goed, fout of afzijdig, het heeft allemaal niets uitgemaakt en nergens toe geleid. Noch de keuzes zelf, noch de omstandigheden die deze kunnen verklaren, zijn van belang. De rol van het toeval, die heldendom kan relativeren of als verzachtende omstandigheid kan gelden voor lafhartig verraad, heeft Dek in zijn relaas dan ook niet nodig.

Het duizendste front, een clubje van vrienden die elkaar al voor de oorlog eeuwige trouw hebben gezworen, telt drie leden en elk van de drie staat voor een stellingname. Nummer een in deze schematische voorstelling van zaken is een NSB-er, die wordt doodgeschoten door nummer twee, een verzetsstrijdster, terwijl de afzijdige nummer drie (de hoofdpersoon) door beide partijen wordt misbruikt. Deze driehoek vormt de basis van het verhaal.

Rudy Deks karakterloze held Rudger Dal, die lijdt onder het probleem dat hij geen keuze kan maken, krijgt en passant een lesje existentialisme van een oude kennis, die hem toevoegt: “We maken ons vaak zulke zorgen om de juistheid van onze keuzen (-) terwijl de vraag veel meer is of we durven te kiezen. Bij kiezen hebben we de neiging vooral te kijken naar datgene waarvoor we niet kiezen en wat we dus denken te verliezen. Angst hè? Maar als je durft te kiezen kies je altijd goed. Om dat in te zien heb je soms jaren nodig. Soms zelfs een hele oorlog.”

Een keuze voor de NSB staat moreel gezien dus gelijk aan een keuze voor het verzet en beide keuzes zijn beter dan afzijdigheid, aldus de moraal van dit verhaal. Tegelijkertijd beschouwt Rudger zijn 'neutraliteit' als de ideale positie voor een schrijver; door schrijver te worden verschaft hij zich een alibi voor zijn verwerpelijke gedrag.

Rudger Dal woont in Doorn tegenover het alter ego van Simon Vestdijk, een dokter die boeken schrijft en op wiens huis hij mag passen als de oorlog uitbreekt. Vervolgens begint hij op de typemachine van deze gerenommeerde auteur aan zijn roman over Het duizendste front. Als na de oorlog de NSB-vriend dood en de verzetsstrijdster moreel geknakt is, blijkt Dal ondanks zijn afzijdigheid, zijn verraad en zijn vuile handen de overwinnaar. Hij heeft niet alleen overleefd, maar ook een boek geschreven en daarmee Het duizendste front (de vriendschap) onsterfelijk gemaakt.

Misschien is de roman die van deze fantasie het produkt is, bedoeld als een poging om Vestdijk op diens eigen typemachine te verbeteren. Mij is het echter niet gelukt Het duizendste front serieus te nemen, al was het alleen maar omdat de vriendschap waar het verhaal op drijft nergens aannemelijk gemaakt wordt. De hoofdpersoon is een levenloze held en buiten hem komen er ook geen figuren van vlees en bloed in het boek voor: de NSB-jongen en het verzetsmeisje blijven marionetten, die zich maar niet tot autonome karakters kunnen ontwikkelen. Was dat wel gelukt, dan zou de vriendschap tussen hen oneindig gecompliceerder en waarschijnlijk zelfs onbestaanbaar geweest zijn. Maar Dek maakt - met grote gemakzucht en in een bijpassende gladde stijl - alles mogelijk en alles kloppend. Dat is niet alleen onwaarschijnlijk en simpel, het is ook een kenmerk van kitsch.

    • Elsbeth Etty