Voor Nederland is cultuur geen breekpunt bij GATT

De Europese ministers van cultuur spreken morgen in Brussel over een culturele paragraaf in het GATT-handelsakkoord, waarover de handelsblokken in de wereld het voor het eind van dit jaar eens hopen te worden. Frankrijk verzet zich met hand en tand tegen een akkoord waarin de cultuur niet wordt beschermd tegen de werking van de vrije markt.

DEN HAAG, 4 NOV. Anders dan Frankrijk ziet Nederland een akkoord over liberalisering van de wereldhandel niet als een ernstige bedreiging voor de nationale cultuur en de audiovisuele sector in het bijzonder. De vier grote politieke partijen zien dan ook geen noodzaak de cultuur buiten de afspraken over vrijhandel te houden, laat staan om er bij de onderhandelingen een breekpunt van te maken. Wel voelen de politici voor opname van een aparte paragraaf ter bescherming van cultuuruitingen in het akkoord, analoog aan die in het Verdrag van Maastricht.

In Brussel vergaderen morgen de Europese ministers van cultuur, en maandag die van buitenlandse zaken, over de toekomst van de audiovisuele sector in het kader van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade). De EG is voor de Amerikaanse audiovisuele sector de grootste buitenlandse afzetmarkt; de film- en televisiebranche is het op één na belangrijkste exportartikel. Daarom is er de Amerikanen veel aan gelegen de vrije uitvoer van Amerikaanse films en televisieprogramma's naar Europa in het GATT-akkoord te garanderen. Amerika wil de onderhandelingen voor 15 december afsluiten, omdat dan het speciale onderhandelingsmandaat van het Congres afloopt.

Minister d'Ancona van WVC en de Europese Commissie pleiten in tegenstelling tot Frankrijk geen van beide voor uitsluiting van cultuur van een handelsakkoord (“exception culturelle”), maar voor een cultuurparagraaf als onderdeel van het akkoord (“spécificité culturelle”). Volgens de minister biedt deze constructie tv- en filmmakers meer juridische zekerheid dan wanneer er niets over de cultuur in het akkoord staat; ook zou zo het risico kleiner worden dat de VS eenzijdig sancties neemt. Gevolg van zo'n regeling zou zijn dat de EG-landen de bestaande beschermingsmaatregelen niet mogen uitbreiden.

In zijn uiterste consequentie zou een vrijhandelsakkoord nationale cultuursubsidies kunnen verbieden als een vorm van concurrentievervalsing. Op dezelfde grond zou Amerika kunnen aandringen op opheffing van de EG-richtlijn 'Televisie zonder grenzen', die de twaalf lidstaten verplicht om een minimum van 51% Europese produkties op de televisie te vertonen. Overigens wil Frankrijk dit percentage tot 60 verhogen.

Frankrijk vindt dat de GATT niet alleen de eigen cultuur bedreigt, maar die van heel Europa. Vorige maand togen onder meer Gérard Depardieu en Isabelle Huppert naar het Europese Parlement in Straatsburg om te protesteren. In antwoord op een Amerikaanse opmerking dat ieder land moest doen waar het goed in is, zei de Franse filosoof Régis Debray gisteren: “Straks mogen wij de magen vullen en vullen zij onze hoofden.” Op een vergadering van de Europese ministers van cultuur op 5 okotober werd de Franse wens voor een uitzonderingspositie voor de cultuur binnen het akkoord door zeven van de twaalf landen onderschreven; Nederland was een van de vijf tegenstanders.

VVD-cultuurwoordvoerder Dijkstal is het met de Fransen eens dat ieder land zijn eigen cultuurbeleid moet kunnen voeren. “Ik ben tegen alle vormen van protectionisme. Heffingen of quota op Amerikaanse films zijn niet van deze tijd. Maar dat is iets anders dan het recht op voeren van een eigen cultuurbeleid: dat moet een volledig nationale bevoegdheid zijn. Het liefst zou ik de cultuur echter helemaal buiten de GATT houden.”

CDA'er Beinema zegt nog niet te kunnen beoordelen of een aparte paragraaf de oplossing is: “Voor mij staat voorop dat de EG de audiovisuele sector van de eigen lidstaten moet stimuleren. Je doet er beter aan je eigen culturele produkties te stimuleren, dan andermans produkten uit te sluiten.” Aad Nuis van D66: “Als klein land begrijpt Nederland het dilemma natuurlijk wel. In de stroom goedkope Amerikaanse produkten die je over je heen krijgt moet je je eigen cultuuruitingen overeind zien te houden. Het dichtgooien is misschien goed voor je produkties, maar het is slecht voor de cultuur.” In een aparte cultuurclausule zou duidelijk moeten worden omschreven, welke uitzonderingen op welke gronden mogelijk zijn. “Dat geeft ruzie en gehakketak, maar dan heb je tenminste een uitgangspunt.” Ook PvdA'er Valk voelt het meeste voor afspraken binnen de GATT: “Je moet geen hoge muren om je eigen cultuur heen optrekken.”

Evenmin als de politiek maakt de Nederlandse filmwereld zich grote zorgen over de gevolgen van het GATT-akkoord. In deze krant schreef Wim Verstappen, secretaris van het Genootschap van Nederlandse Speelfilmmakers, onlangs dat de filmindustrie “op rozen zit” in het schemergebied tussen de eigen EG-richtlijnen en de GATT-afspraken. Algemeen secretaris Hans Tijssen van de Nederlandse Federatie Cinematografie (NFC), waarin zowel filmproducenten en -verhuurders als bioscoopeigenaren zijn vertegenwoordigd: “Het zou heel luxe zijn als de cultuur uit de GATT kon worden getild, maar dat is onhaalbaar. In een quotaregeling voor Amerikaanse audiovisuele-produkties zie ik evenmin iets. Het is utopisch en gevaarlijk om te denken dat als we de grenzen sluiten en er geen Amerikaanse films meer zijn, mensen vanzelf weer naar de Franse en Italiaanse films zullen gaan. De smaak van het publiek is veranderd, en film moet met steeds meer vormen van vrijetijdsbesteding concurreren. Je zou het publiek van je vervreemden. De Amerikanen zouden kunnen overwegen om financieel te participeren in Europese films. Dan heeft Amerika meer recht van spreken en voelt de Europese filmindustrie zich niet zo in de hoek gedrongen.”