Van ontmoetingsplaats tot ruimte om de krant te lezen; De geschiedenis van het kleinste kamertje

Tentoonstelling 'Het latrinaire gebeuren. De geschiedenis van het WC'. T/m 9 jan in het Museum van de Duinenabdij in Koksijde, België. Koninklijke Prinslaan 8. Daarna verhuist de expositie naar Temse bij Antwerpen. Ma t/m vr 9-12u30 en 13u30-17u. Za-zo 10-17u. Inl 09-3258511933.

Samen met de tentoonstelling wordt het boek 'Het Latrinaire gedeelte' uitgegeven, geschreven door Danny Lamarcq.De Katholieke Universiteit Nijmegen organiseert in februari een congres over de latrine in de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Inl 080-612230/612156.

De Italiaanse schrijver Malaparte merkte ooit op dat “men de graad van beschaving van de mens kan vaststellen aan de manier waarop hij zijn gevoeg doet.” Maar wetenschappelijk onderzoek naar dit alledaags fenomeen bleef lange tijd beperkt tot de vragen 'hoeveel' en 'hoe lang'.

De Fransman Du Roselle becijferde in 1876 dat een doorsnee individu in zijn tijd per dag 750 gram faecaliën produceerde. Modern onderzoek komt tot een gemiddelde van 115 gram per dag. Verder heeft een Japanse enquête uitgewezen dat de gemiddelde Japanner dagelijks vijf keer een sanitaire stop maakt, met een gemiddelde van 31,7 seconden. Zijn vrouw doet dat al gauw zeven keer per dag en heeft daar per keer 1.37 minuten voor nodig.

Nederlanders blijken zich gemiddeld 16,3 keer per twee weken terug te trekken en dan zo'n 3.09 minuten nodig te hebben om te defaeceren. Het verschil laat zich verklaren door het feit dat veel Nederlanders gewend zijn hun krant mee te nemen naar het kleinste kamertje.

Het 'latrinaire' gebeuren als toetssteen van een samenleving. De Belgische historicus Danny Lamarcq heeft er een boek over geschreven dat als opstap dient voor verder onderzoek door historici, antropologen en psychologen. Hij beperkt zich tot het aangeven van de algemene ontwikkelingen, want hij wil vooral het onderwerp bespreekbaar maken en uit de sfeer van het ridicule en marginale halen.

Dat laatste is zeker gelukt, mede dank zij Karel van de Casteele, conservator van de Duinenabdij in de Belgische kustplaats Koksijde. Hij kende Lamarcq nog van vroeger en de verschijning van het boek was reden genoeg om na twintig jaar weer contact te zoeken met de vraag of hij op basis van het boek een tentoonstelling aan het onderwerp mocht wijden. Lamarcq gaf zijn toestemming, al kon hij zich niet voorstellen dat er veel mensen op af zouden komen.

Vier maanden lang waren Van de Casteele, zijn medewerkers en enkele vrijwilligers dag en nacht bezig. Toen was 'Het latrinaire gebeuren: geschiedenis van het WC' gereed en konden de eerste bezoekers door een reusachtige wc-bril de drie bescheiden tentoonstellingsruimten op de bovenverdieping betreden.

In vogelvlucht worden aan de hand van afbeeldingen en voorwerpen de ontwikkelingen van de oude Egyptenaren tot de moderne tijd getoond. Zo is er een model van een 'wandelend' toilet uit het achttiende-eeuwse Parijs. Tegen betaling kon iemand met hoge nood onder diens wijde mantel kruipen en daar op een pot zijn kleine of grote commissie doen. Opvallend is ook de Dagobert, het naar een Merovingische koning genaamde moderne toilet van een Franse firma. Het is een Merovingische troon, waarbij een kaarsstandaard, een leuk opschrift in faience, een muziekje dat gaat spelen als je de bril optilt en een bel die klinkt als je doortrekt bij de prijs van ongeveer 20.000 gulden zijn inbegrepen. Buiten het museum voert de 'via latrina' langs replica's als die van een Romeinse latrine naar de achter het museum gelegen ruïnes van de twaalfde-eeuwse Cisterziënzerabdij Sancta Maria Dunarium.

Wat begon als spielerei is uitgegroeid tot een onverwachts succes. “In twee maanden tijd zijn hier al meer dan 40.000 bezoekers geweest. Normaal duurt het een jaar om dat bezoekersaantal te bereiken.” Karel van de Casteele - klein, kwiek en getooid met een koket baardje - vertelt het met pretoogjes, die achter zijn brilleglazen oplichten. “De Belgische televisie is hier al drie keer geweest. Een correspondent van Reuters heeft een stuk geschreven met wereldwijde aandacht als gevolg: uit Frankrijk, China, Japan en Canada; BBC Worldservice heeft over de tentoonstelling bericht: Time Magazine roemt hem in zijn Traveler's Advisory. En onlangs werd ik om tien uur 's avonds gebeld. Bleek ik live in de ochtenduitzending te zitten van een radiostation in Auckland.”

De belangstelling uit de Angelsaksische landen is opvallend. Lamarcq merkt in zijn boek op dat met name daar een taboe rond het onderwerp heerst. Het onderwerp wordt er belachelijk gemaakt of doodgezwegen. Hij geeft als voorbeeld hoe vier jaar geleden de hoofdredactrice van het Britse boulevardblad The People ontslag moest nemen omdat ze op de voorpagina een foto had geplaatst van prins William, die een plasje deed in het park tegenover zijn school.

Hoe anders gaat het er aan toe bij rondtrekkende natuurvolken. Als die aandrang krijgen, trekken ze zich even terug zonder er moeilijk over te doen. Een eskimo bijvoorbeeld distantieert zich psychisch van zijn uitwerpselen. Hij zegt niet 'mijn stront stinkt', maar 'stront stinkt'. Meestal kakken en urineren ze in de vrije natuur. Iets wat de eerste mensen ook hebben gedaan.

Daar kwam verandering in toen mensen zich op één plaats gingen vestigen en er oplossingen gevonden moesten worden om alles leefbaar te houden. Zo bouwden de Romeinen openbare latrines. Die bestonden uit een aantal zitjes van hout of steen, met aan de voorzijde een geultje met stromend water voor de spons waarmee het achterwerk werd gereinigd. Een waterstroom onder het zitvlak zorgde voor de afvoer van de boel.

De latrines waren tegelijk een sociale ontmoetingsplaats. De dichter Martialis merkt dan ook op dat 'Vacerra uren verspeelt met op alle toiletten te zitten.'

Een dure gewoonte, want keizer Vespasianus (69-79) had belasting op het gebruik van de openbare toiletten ingevoerd - immers, het geld dat hij er mee ophaalde stonk niet: pecunia non olet.

Het is opvallend dat de meeste sanitaire voorzieningen die in de loop der tijden zijn getroffen vooral aan de welgestelden waren voorbehouden. De gewone man of vrouw kon de pot op. Meestal was dat een aardewerken kruik, die uit het raam werd leeggegooid. Vanaf de Romeinse tijd vaardigden bestuurders allerlei bepalingen uit om daaraan een einde te maken. In het begin werd het verboden om de kruiken uit het raam te legen en later werden de burgers verplicht gesteld om privaten en beerputten aan te brengen. Maar vaak was er helemaal geen plaats om de nodige sanitaire voorzieningen aan te leggen en dus duurden in de steden schrijnende toestanden op het gebied van hygiëne voort. Zelfs tot in deze eeuw.

Ondertussen brachten middeleeuwse monniken in hun abdijen een bezoek aan Broeder Bril, gingen burchtheren even uit de broek in een uitgebouwde nis boven de slotgracht, nam in de zeventiende eeuw mijnheer pastoor van de Sint Catharinakerk in Herentals de biecht af op een in de biechtstoel ingebouwde po, en ontving Lodewijk XIV rustig hooggeplaatst bezoek terwijl hij zijn zaken deed op een van zijn 274 gemakstoelen, alle bekleed met rode of blauwe damast, rood marokijnleer uit de Levant, rode trijp en rood of groen fluweel.

In de achttiende eeuw ontstond er bij de maatschappelijke bovenlaag een mentaliteitsverandering. De hertog van Parma bijvoorbeeld, werd woedend toen de hertog van Vendôme hem zittend op zijn gemakstoel ontving en in zijn bijzijn zonder blikken of blozen zijn derrière afveegde. 'De patatters afgieten' of 'een splinter uit het lijf persen' werden langzaam maar zeker bezigheden die men heimelijk deed. De gemakstoel werd vermomd. Vaak gaf men hem het uiterlijk van een stapel boeken, waarbij vooral de titels als 'Voyage aux Pays Bas' populair waren.

Dezelfde achttiende eeuw ziet ook de opkomst van het water-closet. Die begint in Engeland, waar in 1775 Alexander Cummings, horlogemaker in Bondstreet, het eerste patent krijgt. De echte doorbraak komt in de meeste Westeuropese landen pas na de Tweede Wereldoorlog, toen de toiletten op centrale rioleringssystemen werden aangesloten. Tot die tijd dienden beerputten en tonnen, die 's nachts door zwartwerkers geleegd werden, voor de opvang van de menselijke excrementen.

Ook nu nog is er niet overal een rioolsysteem. De Duinenabdij is nog steeds aangesloten op een beerputtenstelsel. De massale toeloop van bezoekers ging gepaard met veelvuldig wc-gebruik. Op een gegeven ogenblik stroomden de beerputten over, met een ondraaglijke stank als gevolg. Van de Casteele had snel een oplossing gevonden. “Ik heb maar gezegd dat het er bij hoorde.”

    • Theo Toebosch