Tirannie drijft Chinese boer tot wanhoop

PEKING, 4 NOV. Enige maanden geleden pleegde Pan Qunying, een 40-jarige Chinese boerin in het district Xinyan in de zuidelijke provincie Hunan, zelfmoord door in een visvijver te springen. Een buurvrouw trachtte hulp te mobiliseren. Twee communistische partijkaders snelden toe, maar deden niets en lieten haar schouderophalend verdrinken. Dezelfde mannen waren twee dagen eerder naar haar huis gekomen om een reeks lokale belastingen te innen, in totaal 319 yuan (100 gulden). Het geld wordt gebruikt voor 'dorpssanering', dat is het afbreken van huizen met één woonlaag en vervangen door etagewoningen, en verder voor nieuwe gebouwen voor de partij en scholen. Mevrouw Pan had het geld niet, maar verklaarde zich bereid in termijnen te betalen. Op bevel van de partijsecretaris namen de mannen daarop haar fiets en televisie mee en sloegen haar. De vrouw, moeder van twee kinderen en met een gedwongen sterilisatie achter de rug, raakte zo van de kook dat ze zich twee dagen later het leven benam.

Er zijn veel van deze gevallen, die vaak in de doofpot raken omdat de dorpelingen te bang zijn om hogerop te gaan. Na deze tragedie gebeurde dat echter wel. Er kwam een onderzoek en de zaak werd zelfs in Peking gerapporteerd. Resultaat: de partijsecretaris kreeg een berisping en een proeftijd van een jaar, de nabestaanden van Pan kregen een symbolische schadevergoeding.

Middeleeuwse tirannie van partijfunctionarissen op het platteland is slechts één aspect van wat inmiddels is uitgegroeid tot een van China's grootste problemen: de modernisering van het immense achterland. De macro-oorzaken van die problemen zijn de zeer snelle sociaal-economische veranderingen in China, met name de groeiende kloof tussen stad en platteland, kust en binnenland, noord en zuid. Het marxisme is vervangen door het 'mammonisme', de verafgoding van geld als de nieuwe 'religie' van China. Steden krijgen wolkenkrabbers en winkel- en uitgaanscentra vol neonlicht. Toch is de urbanisatiegraad aanzienlijk lager dan in bijvoorbeeld India en Pakistan: slechts 28 procent van de bevolking woont in de steden. In het Mao-tijdperk waren boeren feitelijk lijfeigenen en konden hun communes niet verlaten. Des te sterker is nu de trek naar de grote steden. Alleen al Peking heeft een illegale zwerversbevolking van 1,5 miljoen op een totale bevolking van 11 miljoen. Een groot deel werkt als dagloner in een van de duizenden grote bouwprojecten, een ander deel doet aan losse straathandel, weer een ander deel bedelt, prostitueert zich of zit in andere schemer-sectoren.

Pag.21: 'Pijnlijke complicaties van de transformatie'

De decollectivisering van de communes in de beginjaren van de hervormingen van 1978 tot 1984 resulteerde in enorme inkomensstijging voor de boeren, maar sinds midden jaren tachtig is de landbouw alsmaar achterop geraakt. Het is nog steeds overwegend kleinschalige, ongemechaniseerde familie-produktie en de verwaarlozing wordt steeds erger. Plattelandsbestuurders willen de achterstand op de steden overijld inhalen en leggen beslag op landbouwgrond om er speciale industriezones van te maken, die zij mede willen financieren door een ondraaglijke belastinglast aan de boeren op te leggen.

Vanouds moesten boeren belasting betalen voor waterhuishouding, irrigatie, boomplanting etc. De afgelopen tien jaar zijn er steeds meer belastingen bijgekomen, o.a. bijdragen in de controle-administratie op geboortebeperking, onderwijs en wegenbouw. In 1991 vaardigde de centrale regering 'Maatregelen op de Inning van Algemene Heffingen op Boeren' uit en bepaalde dat die in totaal niet hoger mochten zijn dan 5 procent van hun inkomen.

Op zogenaamde 'bai-tiao's', tegoedbonnen die berooide staatsinkopers aan boeren gaven voor hun produkten in plaats van contant geld, werd een absoluut verbod uitgevaardigd. Inningen op het platteland zijn in tegenstelling tot de steden echter grotendeels effectief omdat de sociale controle nog vrijwel compleet is. In 1992 bedroegen de inningen 9,45 procent, bijna het dubbele van het voorgeschreven maximum en dit jaar zijn er een aantal nieuwe lokale heffingen bijgekomen.

Chaotische, arbitraire heffingen ('luan shou fei') door provinciale en lagere overheden tot het gehuchtsniveau toe, zijn vandaag de dag een van de grootste sociale ziektes in China. Dorpsscholen zijn van lamentabele kwaliteit. Als zij wat beter zijn moet de boer lessenaar-huur voor zijn kind en 30 andere heffingen betalen, o.a. levensmiddelen voor de onderwijzers. Het wemelt van de gedwongen verzekeringen, o.a. futuristische ouderdomsverzekeringen voor mensen van in de veertig die nu rondom het bestaansminimum leven.

Lokale heffingen op het bezitten (en gebruiken) van tractoren zijn zo hoog dat in hele streken de helft van het aantal tractoren meestentijds op het erf geparkeerd staat. Het Dagblad van Peking citeerde onlangs een boer: “Wat wij boeren ook doen van wieg tot graf, van het land verbouwen tot het hebben van een hond en kippen, het bouwen van een huis, trouwen, een kind hebben etc. we moeten overal heffingen voor betalen. Als dit soort wanbestuur doorgaat zal het zeker tot opstanden leiden”.

Afgelopen zomer kwam het verschillende malen zover. In Renshou, in China's volkrijkste provincie Sichuan, kwamen naar schatting 10.000 boeren in opstand tegen het voornemen van de staat om boeren te laten betalen voor dat deel van een nieuwe nationale weg dat door hun gebied liep, in totaal 45 miljoen yuan, gemiddeld 50 yuan per boer. Zij staken belastinginningskantoren, fabrieken, scholen, politie-auto's en de huizen van partijkaders in brand en toen de politie enige weken later hun leiders arresteerde werden politiebureaus en agenten gestenigd.

Soortgelijke oproeren hebben volgens het Hongkong-maandblad Zhengming in andere arme provincies o.a. in Anhui in augustus plaatsgevonden. Doelend op de partijbonzen droegen boeren daar spandoeken met het opschrift: “Neer met de nieuwe landadel van de jaren negentig”. Alarmisten hebben volgens traditionele denkwijze de boerenopstandjes als het cyclische einde van de (communistische) dynastie en het begin van een nieuwe revolutie gekenschetst, maar volgens diplomatieke landbouwspecialisten die frequent uiteenlopende delen van het platteland bezoeken zijn ze daarvoor te klein en te incidenteel. “Het zijn gewoon de pijnlijke complicaties van de monumentale transformatie van het Chinese platteland met zijn 800 miljoen boeren naar een modernere levensstijl,” zei een landbouw-attaché.

Op de vorige week in Peking gehouden Nationale Landbouwconferentie heeft partijleider Jiang Zemin de problemen onderkend. Jiang zei: “De meeste kaders aan de basis zijn goed, maar sommige partij-organisaties zijn incompetent, laks of in een half verlamde toestand; sommige regio's nemen meer van de boeren dan zij geven en de relaties tussen de kaders en de massa's zijn gespannen. Als wij deze toestand niet snel veranderen, kan de plattelands-economie zich niet ontwikkelen. Bovendien, het zal ook de stabiliteit in gevaar brengen en het fundament van onze staat en partij op het platteland aan het wankelen brengen”. Jiang zei verder dat in het dringende belang van de ontwikkeling van de landbouw een aantal industrie-projecten afgelast moet worden.

Hier ligt het klassieke dilemma van China. De enige manier om de levensstandaard van de boeren-massa's te verhogen is industrialisatie. Belangrijke delen van het platteland, vooral in de buurt van grote steden zijn al geïndustrialiseerd, middels zogenaamde 'Town- and Village Enterprises' (TVE's), die in toenemende mate voor export produceren en een van de snelst groeiende sectoren van de economie vormen. Tijdens de vliegende industrialisatie-hausse van vorig jaar zijn er aan ondoordachte nieuwe industrie-zones echter 9,7 miljoen hectare landbouwgrond verloren gegaan, bijna 10 procent van het nationale landbouwareaal.

Vice-minister van landbouw Wu Yixia maakte vorige week bekend dat de graanproduktie dit jaar minder zal dalen dan de verwachte 10 tot 15 miljoen ton, maar niettemin zal er een forse daling zijn ten opzichte van de 442 miljoen ton vorig jaar. Als belangrijkste reden noemde hij het inkrimpende landbouwareaal en verder natuurrampen.

Maar een bijkomende oorzaak die hij niet noemde is de lage graanprijs, die boeren aanmoedigt om in de plattelandsfabrieken te gaan werken of als los arbeider naar de grote steden te trekken. Graan is een van de weinige artikelen dat nog niet geheel onder de markteconomie valt. Er is een staatsprijs, waarvoor staatsinkopers vastgestelde quota van boeren kopen en er is een doorgaans hogere marktprijs. Radio Peking riep dezer dagen om dat de staat dit jaar 7,5 miljoen ton graan minder van de boeren zal kopen, omdat de graanopslagplaatsen vol zijn. Dit zal boeren in staat stellen meer graan op vrije markten te verkopen.

Sinds een jaar heeft China een Nationale Graan Termijn Beurs in de centrale stad Zhengzhou. Maar de prijs ligt daar nu lager dan de (zwaar gesubsidieerde) staatsprijs. Het dilemma is om een marktgraanprijs te vinden die hoog genoeg is om een redelijk aantal boeren in de landbouw te houden en de overijlde trek naar de grote steden binnen de perken te houden. Jiang Zemin beschreef in zijn recente rapport de 'socialistische markteconomie in opbouw' als een combinatie van gespecialiseerde diensten en de ontelbare, verspreide kleinschalige huishoud-produktie-eenheden. Elk plattelands-district moet volgens Jiang zijn eigen industrieën opzetten, die gecoördineerd en gespecialiseerd voor lokale behoeften produceren en zo een “geïntegreerde operatie van landbouw, industrie en diensten” vormen.

Nieuwe kleine plattelandssteden moeten de toenemende surplus-arbeid gaan absorberen in nieuwe lichte industrieën. Volgens het Staatsbureau voor de Statistiek vormt de landbouw nog 20 procent van China's BNP en van de plattelandseconomie bestaat nog 43 procent uit landbouw, eveneens 43 procent industrie en de rest is handel, transport en bouw. De groei van de landbouw is slechts 3 procent en die van de industrie 20 procent of meer. Om een beter leven te krijgen moet het deel van de bevolking dat in de landbouw werkt verder omlaag, maar hoe ver en hoe snel is de grootste vraag waarvoor China zich gesteld ziet.