Raad van State wijst looningreep af

DEN HAAG, 4 NOV. De Raad van State heeft negatief geoordeeld over de loonmaatregel waarmee het kabinet werkgevers en werknemers heeft gedreigd.

Het adviesorgaan vindt dat minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) deze wet in elk geval niet moet indienen voordat de resultaten van het najaarsoverleg tussen kabinet en sociale partners bekend zijn.

Dat was de minister overigens ook niet van plan. Als werkgevers en werknemers het vanavond met elkaar eens worden over een sociaal pact voor de komende CAO-onderhandelingen, praten ze hoogstwaarschijnlijk morgenavond al met het kabinet.

De minister vindt dat de lonen volgend jaar niet moeten stijgen, omdat een dergelijke stijging de werkloosheid verder zou vergroten. Komen vakcentrales en werkgeversorganisaties een bevriezing van de lonen niet vrijwillig overeen, dan neemt het kabinet desnoods een wettelijke maatregel, zo luidde eerder het dreigement van de minister.

Volgens de voorlopige tekst van het akkoord tussen centrale werkgevers- en werknemersorganisaties zijn de partijen het eens over het achterwege laten van reële loonsverhogingen, zonder op voorhand af te zien van compensatie voor de gestegen prijzen. Daarmee voldoen ze niet volledig aan de wensen van het kabinet. Dat is tot nu toe van mening dat er een echte 'nullijn' moet komen en acht het koopkrachtverlies dat daardoor optreedt, onvermijdelijk.

Eerder bracht ook de SER in ruime meerderheid (twee stemmen tegen) een negatief advies uit over de eventuele loonmaatregel van minister De Vries. Alle vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de SER schaarden zich achter dat meerderheidsstandpunt. De Tweede Kamer, in het bijzonder de regeringsfracties, neemt nu een afwachtende houding aan, in de hoop dat een wettelijk afgedwongen loonstop uiteindelijk niet nodig zal zijn. De vakcentrales denken dat de positie van minister De Vries door het kritische standpunt van de Raad van State is verzwakt, ook al heeft het kabinet wel vaker adviezen van de Raad van State naast zich neergelegd.

Bij juristen heeft de 'Tijdelijke wet bevriezing lonen 1994', zoals het voorlopig wetsvoorstel heet, al eerder bevreemding gewekt. De bestaande Wet op de loonvorming maakt het de minister in principe mogelijk in de loonontwikkeling in te grijpen, op voorwaarde dat er sprake is van “een zich plotseling voordoende noodsituatie van de nationale economie, veroorzaakt door één of meer schoksgewijs optredende externe factoren”. De Vries erkende dat die situatie zich niet voordoet en hij was daardoor gedwongen een tijdelijke wet in het leven te roepen om toch een loonstop zonodig te kunen afdwingen. De minister meent dat de economische situatie dermate zorgwekkend is dat een aparte wettelijke voorziening is gerechtvaardigd.