Pijn en dood in de Gouden Eeuw

Tentoonstelling Van Piskijkers en Heelmeesters. Genezen in de Gouden Eeuw. T/m 10 april. Museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Di-za 10-17, zo 12-17. Inl 071-214224. Catalogus ƒ 10,-.

Annetje Laurens was een mooie jonge vrouw, naar de normen van haar tijd. Ze had een lief gezicht dat niet ontsierd was door de pokken, lang golvend haar, en een goed gevuld maar niet overdadig dik lichaam. Ze zou het als model niet slecht hebben gedaan bij Rubens of Jordaens.

Annetje had echter één pech. In 1655 liep ze de pest op, die gevreesde ziekte waar zo veel van haar tijdgenoten aan bezweken. Misschien liet Annetje zich veel aderlaten en purgeren, nam ze braaf iedere dag een stoombad met eucalyptus of had ze simpelweg een goede constitutie. In ieder geval overleefde ze de ziekte, al liet deze wel een visitekaartje achter: een gruwelijke misvorming aan haar rechterdij.

In een zeventiende-eeuws leerboek voor chirurgijns staat Annetje schuin van achteren afgebeeld. In dikke tressen hangen kwabben vanaf haar bovenbeen naar beneden, afzichtelijk en onpraktisch. Onbekommerd kijkt Annetje over haar schouder, recht in de ogen van de lezer. De etser heeft de jonge vrouw met zorg getekend en met opzet in deze houding, denk ik. Want door deze onbevangen blik verliest de afwijking zijn wanstaltigheid en wordt een onderdeel van haar lichaam.

De chirurgijn J. van Meekren bespreekt Annetjes geval in zijn Heel- en Geneeskonstige Aanmerkingen uit 1668. Na veel onderling geredetwist, schrijft Van Meekren, kwamen de heelmeesters tot de slotsom dat de oorzaak van Annetjes reusachtige kwabben vochtigheid was; vochtigheid die 'uyt de groote hart-ader als 'n swakke partye' naar het dijbeen was gelokt. Om Annetje te genezen zal men nog meer bloed bij haar hebben afgetapt, op momenten dat de maan of de zon in Saturnus of Jupiter stond, men zal haar klisma's hebben toegediend en zelf zal zij zich ongans aan de pruimen hebben gegeten.

Op de tentoonstelling over geneeskunst in de Gouden Eeuw, die op het ogenblik in Leiden is te zien, wordt de precieze methode waarmee chirurgijns, rondreizende vrije meesters, aan de universiteit opgeleide doktoren en misschien zelfs kwakzalvers Annetjes kwabben te lijf gingen, niet helemaal duidelijk. Maar je kunt je er wel een goede voorstelling van te maken op grond van de voorwerpen, boeken, prenten en schilderijen die rond het ziektegeval zijn gegroepeerd.

De organisatoren van de tentoonstelling 'Van Piskijkers en Heelmeesters' willen in kaart brengen wat een zeventiende-eeuwer bewoog in zijn zoektocht naar medische hulp. Het draait dus om emoties, hoop en verlangen; om zoiets ongrijpbaars als mentaliteitsgeschiedenis, die aan de hand van praktische medische voorwerpen, rooms-katholieke attributen, leerboeken, satirische en serieuze afbeeldingen wordt gereconstrueerd.

Daarom zal de in wetenschappelijke ontwikkelingen geïnteresseerde vergeefs zoeken naar de gevolgen van Harvey's ontdekking van de bloedsomloop voor de geneeskunde in de Republiek. Ook zal hij een exposé over Van Leeuwenhoeks microscopische ontdekkingen missen. Maar daar staat veel tegenover.

De begeleidende teksten zijn voorbeeldig: goed geschreven, informatief en genuanceerd. Clichés over de vroegmoderne tijd, zoals die drie jaar geleden in een tentoonstelling over hetzelfde onderwerp in Antwerpen naar voren kwamen, ontbreken.

De Gouden Eeuwers zagen de gang naar de dokter met angst tegemoet. De dood lag altijd op de loer en pijn was haar metgezel. Een simpele verkoudheid kon leiden tot longontsteking, een steek- of snijwond tot bloedvergiftiging. Amputaties, het met brandijzers dichtschroeien van wonden, het wegsnijden van gezwellen: het gebeurde allemaal zonder verdoving en vaak onder onhygiënische omstandigheden. Was je ziek, dan balanceerde je tussen leven en dood. En dus nam je familie en vrienden mee naar de dokter, om je bij te staan in die barre en schemerige uren die misschien wel je laatste op aarde waren.

Veel zeventiende-eeuwse kunstenaars beelden dit af in hun werk. Een mooi voorbeeld hiervan is een ets van Cornelis Dusart, die in 1690 een armoperatie vastlegde. In een bedompt kamertje is de heelmeester onbarmhartig aan het snijden. De patiënt, het slachtoffer, kronkelt zich in bochten, zijn onderkaak als een huilende wolf naar voren gestoken. Zijn vrouw staat achter hem, de handen biddend gevouwen.

De biddende vrouw bij Dusart geeft het al aan: ziek zijn betekende God aanroepen en hem smeken om genezing. Een tocht naar de plaats waar een stukje van het Heilige Kruis werd bewaard, beloofde de meeste kans op genezing. De imposante kast met relieken uit het klooster Mariëndaal in het Belgische Diest was zo'n object waarvan de heilzame werking tot ver in de wijde omtrek werd bejubeld. Engeltjes, rozeknoppen en guirlandes vormen de barokke omlijsting van tientallen, in medaillons en in doosjes liggende relikwieën. Minieme draadjes stof, splinters hout en bot: door vrome handen aangeraakt en een schone ziel bezongen, brachten zij vertroosting aan de doodzieke pelgrim, en heel soms genezing.

Want dat bestond. Het materiaal dat genezing illustreert, behoort tot het roerendste van de hele tentoonstelling. Zo moet de Amsterdamse smid Jan Doot heel trots zijn geweest, toen hij zichzelf van een blaassteen verloste zo groot als een ganzeëi. Voor de ruim een kwart pond wegende steen liet de smid een prachtig foedraal maken, gelakt en met rood fluweel bekleed, een sieraad in huis.

Van een poliep die 'op de 12de van de hooimaand van 1667' getrokken werd uit de neus van 'H.P.'s ionghe dochter', liet men een mooi schilderijtje maken. Het zalmkleurige geval, dat wel iets wegheeft van twee aan elkaar gegroeide sperziebonen, hangt aan een fleurige blauwe strik. Het schilderij getuigt niet alleen van de opluchting bij de familie, maar ook van de verbazing over het feit dat de natuur zulke rariteiten kon voortbrengen en de wens dit voor het nageslacht vast te leggen.

Maar het mooist zijn de ex voto's. De Romeinen kenden het gebruik al om als dank voor het door de goden inwilligen van een wens, een geschenk bij het altaar achter te laten. De katholieke kerk nam dit over en zo ontstond de gewoonte om bij genezing een beeldje van het gekweste lichaamsdeel in de kerk achter te laten. In een vitrine hangen onderarmpjes, talloze beentjes, handen, neuzen, ogen en ogen, vaak ook hier weer aan een kleurig touwtje.

    • Lucette ter Borg