Duitse CDU neemt met Heitmann wraak op 1968

Hebben de aanwijzing van Frankfurt/Main als zetel van de Eurobank, de Duitse eenwording, de economische recessie, de vroege ruzie tussen de grote partijen over de opvolging van bondspresident Weizsäcker, en de twijfels over de kwaliteiten van Klaus Kinkel, de minister van buitenlandse zaken die ook voorzitter van de FDP is, iets met elkaar te maken? Ja, die dingen hebben wat met elkaar van doen. Om dat duidelijk te maken is het nuttig om stukjes van de 'Duitse film' van de afgelopen jaren nog eens versneld af te draaien.

Wie ter verklaring van de samenhang van allerhande verschijnselen in het hedendaagse Duitsland delen van de recente 'Duitse film' versneld afdraait, stelt vast dat de onbetwiste hoofdrolspeler - het kan niet anders - Helmut Kohl is, kanselier sinds 1982 en CDU-voorzitter sinds 1973. Actieve bijrollen gaan naar minister van buitenlandse zaken en FDP-voorzitter Klaus Kinkel en Wolfgang Schäuble, fractievoorzitter van de CDU in de Bondsdag. Voorts een passieve maar belangrijke bijrol voor Hans-Dietrich Genscher, minister van buitenlandse zaken van 1974 tot voorjaar 1992 en vele jaren hét bepalende boegbeeld van de FDP in voor- en tegenspoed. In kleinere maar interessante episoden duiken namen op als die van Karl-Otto Pöhl, de zomer '91 voortijdig afgetreden Bundesbank-president, Johannes Rau (SPD), premier van Noordrijn-Westfalen, en Richard von Weizsäcker.

Voorjaar 1991 is Helmut Kohl on top als nooit tevoren. Hij is de kanselier van de Duitse eenheid, zo niet bemind dan toch gerespecteerd in het buitenland. De Duitse economie boomt fameus, alle nieuw-opgestane Lazarussen in Oost-Europa kijken naar de grote Duitse kassa. De SPD heeft in de Bondsdagverkiezingen (december 1990) net de grootste nederlaag in haar naoorlogse geschiedenis geleden. De CDU staat als één man achter Kohl. Een nog najaar 1989 door hem onderdrukte partij-opstand van “Möchtegern-Revoluzzer” als Heiner Geissler, Rita Süssmuth, Lothar Späth en anderen lijkt - behalve door die onvoorzichtige mensen zelf - vergeten. Ook de 'onaantastbare' CDU-opposant Richard von Weizsäcker, bondspresident, doet het dan even wat kalmer in zijn openbare spreekbeurten.

Voor het eerst sinds 1982 heeft Kohl in de opiniepeilingen een persoonlijke populariteit die boven de curve van de CDU uitgaat, de zogeheten Kanzlerbonus. Zelfs Rudolf Augstein van Der Spiegel, die hem anders ten minste eens per jaar (vergeefs) ten grave laat dragen, en het weekblad Die Zeit van Helmut Schmidt schrijven in de periode '90/'91 onwennig-lovend over de man die ze vele jaren als zwakke brekebeen met uithoudingsvermogen typeerden. Ongeveer zoals in Nederland in de jaren zeventig doorgaans over premier A.A.M. van Agt en in de jaren zestig over premier P.J.S. de Jong geschreven werd.

Het kon voor Kohl niet op in 1991. In dat jaar liet de kanselier/partijvorst, die in de Duitse eenwording en de schrik van de buren een extra reden zag om méér snelheid aan het Europese integratieproces te geven, soms een ongekende staatsmännische grootmoedigheid zien. Een functionele grootmoedigheid ook. Het moet toen geweest zijn dat hij zijn EG-partners de indruk gaf, of misschien zelfs zei, dat die versnelde Europese integratie hem zóveel waard was dat een toekomstige Eurobank ook best buiten Duitsland mocht komen te staan. Zoals hij bereid was om eind 1991 het mooiste wat de Bondsrepubliek heeft - de D-mark - te betalen als prijs voor de Unieverdragen van Maastricht.

In die dagen dacht Kohl er ook halfluid over na om tezijnertijd, in 1994, een SPD'er aan te bevelen als 'consensus-kandidaat' voor het bondspresidentschap. Zeg iemand als de (nu) 62-jarige Johannes Rau, in de jaren tachtig mislukt als kandidaat-kanselier, vaak middelaar in zijn partij en ook daarbuiten algemeen geacht, zoon van een piëtist uit Wuppertal. Bijkomende overwegingen voor Kohl waren mogelijk: 1) Rau regeert al anderhalf decennium met een absolute meerderheid als 'Landesvater' in Noordrijn-Westfalen, deelstaat met de meeste inwoners van het land, waar alle partijen hun grootste regionale afdelingen hebben en waar CDU en FDP hem dus graag zouden zien vertrekken; 2) nu Weizsäcker (CDU) sinds zijn verkiezing in 1984 vaak als scherpste criticus van de coalities-Kohl fungeert, zou in 1994 evengoed, misschien zelfs liever, een gematigde SPD'er kunnen worden gekozen.

Maar het ging na 1991 snel heel anders. Er bleken dus wèl, anders dan Kohl had gedacht en gezegd, grote Westduitse offers nodig om de Oostduitse opbouw te financieren. Bundesbank-president Pöhl was toen al maanden weg, gebruskeerd, doordat Kohl in 1990, in galop op weg naar de eenheid en min of meer gedwongen door enorme golven Oostduitse vluchtelingen en door de bange vraag hoeveel adem Gorbatsjov en de Sovjet-Unie nog hadden, tegen zijn advies had gehandeld. Namelijk door de DDR niet alleen een snelle monetaire unie aan te bieden maar daarvoor ook een eerder politieke dan financieel-realistische wisselkoers tussen D-mark en Oost-mark te kiezen. Aangenomen mag trouwens worden dat Pöhl al een economische crisis zag aankomen. Bijvoorbeeld doordat de Oosteuropese markten van de vroegere, geflatteerd beoordeelde Oostduitse industrie snel wegbraken. En doordat de D-mark de vroegere DDR na consumptief gerief ook een ongenadige economische sanering, onverwachte sociale ellende en een politieke katerstemming bracht.

Kortom: Duitsland dook in 1992 in een door de tijdelijke eenheidsboom alleen maar uitgestelde economische recessie, die een harde structurele kern bleek en blijkt te hebben. De Bondsrepubliek, voor een groot deel van haar bevolking (de mensen jonger dan 50) steeds een half-soevereine, irenisch-politieke idylle met een soort permanent Wirtschatfswunder, dook bovendien in een psychologische recessie. In een veelstemmig klagerig concert dus, met veel verongelijktheid, Betroffenheit en ernstig besproken en beschreven Politikverdrossenheit. Wat opvalt in dit niet helemaal onbekende Duitse stemmingsbeeld: het zijn niet zozeer bepaalde politici of bepaalde partijen, het is vooral 'het systeem', 'de politiek', soms de politieke strijd zelf, die graag worden genoemd als oorzaken van de misère. Het verschijnsel heeft één van zijn kenners in Richard von Weizsäcker, die er op hoog, bijna a-politiek, niveau over kan spreken en spreekt. Daar zit de president en behandelt het sombere thema met twee Zeit-redacteuren aan de voet. Een bestseller dus even later, de boekhandel vaart er wel bij en Kohl, qua populariteit allang weer terug in zijn vroegere dal, zit met zijn alledaagse besognes razend in zijn kanselarij.

Moeilijke situatie: economische recessie, teruglopend vertrouwen in de grote politieke partijen, zelfbeklag, aanhoudend bot geweld tegen buitenlanders, het verdwijnen van oude zekerheden, grotere verantwoordelijkheid voor een verenigd land met een nog onverenigde bevolking, verminderde cohesie in EG en Navo door het wegvallen van de (samenbindende) Vijand in het Oosten. In die situatie gingen Kohls 'Europese concessies' van Maastricht veel Duitsers achteraf veel te ver. Nachtmerriewaarde kreeg de geplande vervanging van de D-mark door de Ecu ('esperantogeld'). Gevolg: Kohl zag zich om politiek-psychologische redenen gedwongen bij zijn EG-partners (alsnog) de Eurobank voor Duitsland te claimen.

De verslechtering van de electorale positie van de grote volkspartijen CDU en SPD en de speculaties over een 'grote coalitie' waartoe zij door de uitslag van de Bondsdagverkiezingen in 1994 verplicht zouden kunnen raken, hadden nog een ander gevolg. Kohl had nu geen zin meer in een SPD'er als 'consensus-kandidaat' die de CDU/CSU dan 23 mei 1994 als opvolger van Weizsäcker zou moeten helpen kiezen. Zoiets zou tot de Bondsdagverkiezingen van oktober 1994 immers nieuw voedsel geven aan speculaties over een komende grote coalitie in Bonn. En omdat vóór oktober nog allerlei andere verkiezingen - lokale, regionale en Europese - wachten zouden zulke speculaties een ongewenst 'anti-grote-partijen-effect' kunnen hebben.

Daar kwam nog iets bij. De verkiezingen zullen volgend jaar in het centrum-rechtse deel van het politieke spectrum worden beslist. Dat is de verwachting, zeker bij de CDU/CSU, die als geen andere partij ook extreem rechts onder de kiesdrempel van vijf procent en uit de Bondsdag moet zien te houden. Als grote thema's staan al vast: criminaliteitsbestrijding, Duitslands nieuwe positie in de wereld (in de VN bijvoorbeeld), het overwinnen van de economische crisis (onder meer: structuurverandering, meer privatisering en deregulering, snoeien op subsidies en andere overheidsuitgaven en de sociale sector). De SPD, die in haar personele voorhoede, haar programma en haar 'humeur' een flink deel van de erfenis van '1968' bewaart, heeft het met zulke thema's moeilijk. Nu die thema's door de eenwording, de recessie en de stemming in het land op scherp staan dreigt ze het predikaat “Verweigerungspartei” opgedrukt te krijgen. Dat verwijt uit de regeringscoalitie is hard, enigszins demagogisch, maar ook enigszins juist.

Nu over naar de FDP, de partij van de zeer populaire Genscher die in minister Klaus Kinkel - lid sinds voorjaar 1990 - haar voorzitter heeft. Kinkels gezag in de FDP en de coalitie is twijfelachtig. Hij heeft een dubbel probleem: wat hij als minister en als partijvoorzitter doet, wordt altijd beoordeeld naar de vraag wat Genscher zou hebben gedaan. Die toetsing is onredelijk voor zover Kinkel op Buitenlandse Zaken voor het verenigde Duitsland natuurlijk andere concepten moet zien te ontwikkelen dan de nu 66-jarige hartpatiënt Genscher voor West-Duitsland deed. Dat geldt temeer omdat Genscher waarschijnlijk juist afscheid nam als minister, na 18 jaar op Buitenlandse Zaken, in verband met de noodzaak om op een breed terrein ander beleid te gaan maken. Even onredelijk is het van Kinkel te verlangen dat hij de FDP in een andere partijpolitieke situatie net zo leidt als de profileringskunstenaar Genscher het vroeger zou hebben gedaan. Maar het messentrekkersgilde dat de kleine FDP zeker in haar top is, oefent niet geregeld in redelijkheid. Dus staat Kinkel er niet goed op.

Vermoedelijk is het ook daarom dat zijn competentie als minister soms merkbaar in het gedrang komt, met name bij de CDU, die het bijna permanente FDP-beheer van Buitenlandse Zaken maar moeilijk kan verkroppen. Voorbeeld: Kinkel moest wegens de schaduw van Genscher - volgens wiens uitleg van de grondwet zoiets kwestieus was - bij het Constitutionele Hof in Karlsruhe bezwaar maken tegen Duitse deelneming aan de VN-acties in Somalië. En dat terwijl iedereen wist dat hij zelf hoopte dat zijn klacht zou worden afgewezen (zoals gebeurde). Twee weken geleden hapte CDU-minister van defensie Volker Rühe naar Kinkels portefeuille door alvast te verklaren dat het Duitse VN-contingent vóór april 1994 zou worden teruggehaald. Kinkel moest worden gered door Kohl, die Rühe op de vingers tikte en liet meedelen dat het vermoedelijk wel zo zou gaan maar dat nog niet beslist was. Kinkel maakte het kwestietje zelf nog pijnlijker door vervolgens in het blad Bunte Illustrierte, dat met halfblote dames en onbelangwekkende reportages een eigen plekje op de tijdschriftenmarkt heeft, te verzekeren: “Ik bepaal het buitenlands beleid, niet meneer Rühe.” Waarop Kohl dus zowel Rühe als Kinkel langs de weg zag liggen.

Genschers slagschaduw in de FDP bezorgde Kinkel nog een ander probleem. Hoewel iedereen eigenlijk kon weten dat deze veteraan werkelijk geen kandidaat voor het bondspresidentschap wilde zijn, bleef Kinkel hem almaar, en maandenlang, openlijk op FDP-bijeenkomsten vragen om zich toch beschikbaar te stellen. Oók pijnlijk: Genscher nee-knikkend op de eerste rij en Kinkel almaar verklaren dat hij hem bijna zover had. Hij wist vast wel beter, maar kon dat kennelijk nog niet laten blijken.

Terug naar Kohls CDU/CSU en de SPD. Die wisten Genscher weliswaar nagenoeg onklopbaar als kandidaat voor het presidentschap. Maar zij wisten ook dat hij écht niet wilde. En dus besloot de SPD-top slim om de eerder voorzichtig door Kohl aanbevolen Johannes Rau in september jongstleden als haar kandidaat met consensus-waarde te presenteren. Toen was, terwijl de FDP nog met zichzelf in de weer was, dus het duo Kohl/Schäuble aan zet. Dat de arme FDP uiteindelijk met de kansloze en vrij onbeminde mevrouw Hildegard Hamm-Brücher als kandidate kwam, maakte Kinkels echec nog duidelijker. Deze links-liberale kandidate is niet alleen 72, dus zo oud als Weiszäcker bij zijn vertrek, en getrouwd met een man van 80 die lid van de CSU is, maar zij is sinds 1982 bovendien vooral actief geweest om haar partij uit te leggen dat zij toen verkeerd heeft gehandeld door de SPD als coalitieparter te ruilen voor de CDU/CSU. De FDP heeft nu dus iemand gekandideerd die alle leden van de partijtop verwijt dat zij al elf jaar een verkeerde koers varen. Mevrouw, u zegt dat wij overspelig zijn? Dan bent u onze presidentskandidaat, zo eenvoudig is dat.

Het duo Kohl/Schäuble had voordien al met de keus van de Oostduitse CDU'er Steffen Heitmann, de vrij onbekende minister van justitie in Saksen, een va banque operatie gestart. Binnen en buiten de CDU is de kandidatuur van deze rechtschapen-onhandige wertekonservative politicus intussen fel gekritiseerd. Met zijn opmerkingen over onder andere de noodzaak om 'Auschwitz' te ordenen in de Duitse geschiedenis, zijn bezwaren tegen een liberale abortusregeling en zijn mening over de spanning tussen emancipatie en het hebben van kinderen heeft Heitmann bovendien een atmosferische stampede veroorzaakt bij zeer velen in Oost- én West-Duitsland. Wie de desbetreffende interview-citaten doorleest hoeft niet direct om te vallen, wie echter zijn mentale geboortejaar in '1968' heeft krijgt het moeilijk. Dat Kohl als partijchef de CDU-fractie in de Bondsdag inzake Heitmann behoorlijk onder zijn juk heeft laten doorgaan, en daarbij zijn 'oude opposanten' als Rita Süssmuth en Heiner Geissler evenmin spaarde als de vroegere Weiszäcker-woorvoerder Friedbert Pflüger, was niet zo aardig. De chef gedroeg zich als chef, bij belangrijke kwesties wil de CAO voor chefs dat zo.

Ernstiger is dat de frèle en onervaren Ossi Heitmann niet alleen een levende provocatie vormt voor het 'verlichte' deel van de Westduitse politiek maar ook de ambitie lijkt te hebben om zich als een nationale a-politieke Oberpfarrer te gaan gedragen. Bijna als Weiszäcker, maar dan zonder diens greep op protestants Duitsland, diens morele statuur of diens verbale talent. Anders gezegd: als een burgerlijk-conservatieve braverd met een missie in een land dat een ontnuchterende economische en psychologische recessie te boven moet zien te komen. Een land waarin democratische politieke strijd al eerder als een gevaarlijk-chaotiserende “on-Duitse uitvinding” van Fransen of Angelsaksen werd gezien en dat in plaats daarvan de Kultur en het gezag als eigen bakens prefereerde. Een land dat de afgelopen 150 jaar wel vaker een romantische neiging tot misverstanden inzake democratische politiek vertoonde. Al met al: het zou hier - ook voor de buren - om iets heel wezenlijks kunnen gaan.

Want meer nog dan voor de pragmatische partijpoliticus en Europeaan Kohl lijkt deze Heitmann voor de beredeneerde conservatief Schäuble (en de Beierse CSU) óók een antwoord, misschien zelfs: wraak, op het jaar '1968' te zijn. Een 'neen' tegen het 'permissieve' leven en - naar te vrezen valt - ook tegen politieke en maatschappelijke liberaliteit die sindsdien de Bondsrepubliek en haar jongere generaties 'opener' hebben gemaakt. Zogezien is de de kandidatuur-Heitmann niet alleen een 'gewone' politiek zaak - dat is in orde - maar ook een ideologische oorlogsverklaring, die '1968' medeverantwoordelijk stelt voor de politiek-economisch-psychologische crisis in Duitsland. Hier kan een 'verkeerde' kandidaat méér zijn dan alleen maar een verkeerde keus.

De nieuwe president wordt op 23 mei '94 gekozen in de 'Bundesversammlung': in geheime stemming door de 662 leden van de Bondsdag en evenveel afgevaardigden uit de landdagen van de (16) deelstaten. Als in de eerste twee stemmingen geen absolute meerderheid ontstaat, wordt in de derde stemming de kandidaat met de meeste stemmen gekozen verklaard. Over die dan benodige grootste minderheid beschikt de CDU/CSU, tenzij alle andere partijen - van FDP tot PDS - zich rond een andere kandidaat verenigen (bijvoorbeeld: Rau). De CDU heeft de FDP alvast gewaarschuwd dat zij tenminste bij haar eigen kandidaat moet blijven en niet mag 'overlopen' in de derde stemronde.

Kohl en Schäuble kunnen tot 23 mei 1994 vasthouden aan Heitmann en hem dan als minderheidskandidaat door de stemmingen proberen te boksen. Het is niet te hopen dat zij dat echt zullen proberen. Achter de schermen lijkt de ook buiten zijn partij gerespecteerde CDU'er Roman Herzog, president van het Constitutionele hof in Karlsruhe, zich trouwens al zachtjes warm te lopen. Als hij, of iemand als hij, straks alsnog zou worden gepresenteerd als consensus-kandidaat, lijdt Kohl gezichtsverlies. Maar voor zijn door recessies geplaagde land zou er dan wel wat gewonnen zijn.