De Gemeenschap blijkt zeer geschikt voor worstelpartijen

Afgelopen maandag is het Verdrag van Maastricht in werking getreden en daarmee is formeel de aanzet gegeven tot het tot stand brengen van een Politieke Unie in Europa die alle sectoren van het maatschappelijke leven beroert. Dat geldt zelfs voor lidstaten die uitzonderingsposities hebben weten te bedingen. Wat in de kern van de Unie gebeurt, heeft onvermijdelijk gevolgen voor de ontwikkelingen erbuiten. Wat er daadwerkelijk staat te gebeuren moet worden afgewacht. De verdragstekst verschaft daartoe wel enige aanwijzingen, maar in de eenwording zelf is door de jongste economische en monetaire tegenslagen ernstig de klad gekomen. De in het verdrag genoemde data en stadia hebben dan ook veel van hun betekenis verloren.

Heel langzaam komt er een herwaardering op gang van de fundamentele gegevens in Europa. Het is bekend: de Muur is gevallen, Duitsland is herenigd binnen de Europese en Atlantische organen, nieuwe betrekkingen zijn aangeknoopt, beloften zijn afgelegd tegenover voormalige lidstaten van het Warschaupact, landen van zeer verschillende afkomst en statuur dringen op om tot de samenwerkingsorganen van 'het Westen' te worden toegelaten. Maar waar al die feiten die zich in vier jaar tijd hebben voltrokken heen wijzen, blijft duister. Het Westen zelf bevindt zich in een staat van vluchtigheid.

Een poging tot herwaardering van de relaties in Europa is te vinden in een studie die onder leiding van dr. Werner Weidenfeld van de Universiteit van Mainz is verricht ten behoeve van de Bertelsmann Stichting. De studie diende als leidraad voor een bijeenkomst van leidende politici uit Europa, Amerika en het Middellandse Zeegebied, onlangs belegd op de Petersberg.

Op de politieke landkaart van Europa doen zich momenteel verschuivingen voor, wordt in de studie opgemerkt. Frankrijk verplaatst zich naar de rand van het continent. Voor 1989 beschikte Europa niet over een midden van politieke betekenis - en daarmee ontbraken ook de problemen die een positie in het midden met zich meebrengt. Maar oude begrippen, belangentegenstellingen en nationale concepties van beheersing en verdeling van hulpbronnen duiken in de Gemeenschap weer op.

Hier wordt in een Duitse zienswijze een voor Frankrijk harde noot gekraakt. Frankrijks verplaatsing berust natuurlijk op gezichtsbedrog. Maar het nieuwe (Duitse) midden in Europa marginaliseert als vanzelf Frankrijk. Die constatering heeft weinig gemeen met de lofzang op Europa's Frans-Duitse sokkel, die Frankrijks ex-premier Raymond Barre aanhief in Le Monde van 29 oktober jl. Weliswaar onderschat de Duitse studie Frankrijk niet: Frankrijk kan zich aan het hoofd stellen van een zuidwestelijk kamp in de Unie, waar Duitsland het noordoosten aanvoert. Voor beide landen zou dat leiden tot een bijzondere verantwoordelijkheid. Samen zouden zij meer dan andere staten ertoe moeten bijdragen belangentegenstellingen op te heffen, verdelingsconflicten op te lossen en de consensus binnen de Unie te beschermen.

Maar als gevolg van die veronderstelde regionalisering binnen Europa zou Frankrijk toch een andere positie innemen dan waarop het sinds generaal De Gaulle en als enige nucleaire macht in het westelijke deel van het Europese continent en als permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties meende recht te hebben. Tot voor enkele jaren was Frankrijk nog mede-verantwoordelijk voor de uitzonderlijke status van (West) Berlijn. De veelbesproken Frans-Duitse as werd in Parijs aangedreven. Frankrijk had, of meende te hebben, zeggenschap over Duitse aangelegenheden. President Mitterrand gaf daaraan uiting toen hij in Kiev zijn twijfels over Duitslands eenwording toonde. Later bezwoer hij Bonns 'Alleingang' in versplinterd Joegoslavië. Maar gereduceerd tot belangenbehartiger van Europa's excentrische en nooddruftige zuidwesten en geconfronteerd met een Duitsland dat in de rijke rest van West- en Noord-Europa en in het afhankelijke Midden- en Oost-Europa de dienst uitmaakt, zou Frankrijk al snel tot de conclusie moeten komen dat de Europese balans ernstig verstoord was geraakt. Van seniorpartner zou het juniorpartner zijn geworden.

Overigens verwachten de opstellers van de studie niet al te veel van dit geesteskind. Onder de democratieën van het Westen, schrijven ze, bevindt zich nauwelijks een ander bilateraal verband van betekenis dat een zo geringe diepgang heeft. Onder de hoge politiek bestaan weinig nauwe verbindingen en is wat men van elkaar weet naar verhouding armzalig. Er blijft volgens de studie zeker kans op een verdeling langs andere lijnen. Zo zou een kamp binnen de Gemeenschap kunnen ontstaan van kleinere landen, van arme staten of van netto-betalers. De vraag die zich hier opdringt - maar die in de studie niet wordt opgeworpen laat staan beantwoord - luidt: wat voor gevolgen zou het ontstaan van die kampen hebben voor de relatie tussen Frankrijk en Duitsland? De fantasie kan hier vrij spel hebben.

Er is volgens de studie nog veel meer aan de hand dan veranderingen in nationale rolpatronen. In het algemeen grijpt de buitenlandse politiek weer terug op een ouder Europees model. Zowel conflicten als samenwerking staan in het teken van door onderlinge schikkingen bevorderde evenwichtspolitiek. Er is sprake van een versmelting van klassieke diplomatie met het proces van eenwording. Binnen de Gemeenschap is het bedrijven van nationale belangenpolitiek mogelijk gebleven. Anders gezegd, evenwichtspolitiek bevordert renationalisering, ofwel er is ruimte gebleven voor wantrouwen ten opzichte van de ambities der anderen.

De nadruk in de studie op nationale belangenpolitiek als (een nieuw) verschijnsel in de Europese integratie heeft vermoedelijk te maken met haar Duitse toonzetting. Bevordering van het Duitse belang viel historisch samen met de integratie van Europa: de Bondsrepubliek vond er aanvaarding door het Westen en ruggesteun tegenover het Oosten. En dat was voor haar jarenlang ruim voldoende. Maar de Europese Gemeenschap blijkt zich uitstekend te lenen voor onderlinge worstelpartijen over specifieke nationale belangen. De jongste top in Brussel over de verdeling van een aantal communautaire instellingen was daarvan een aandacht trekkend voorbeeld. Voor Duitsers was de succesvolle slag om de centrale bank een nieuwe ervaring - die wellicht de smaak naar meer heeft opgeroepen.