'Bloedschandaal in Nederland uitgesloten'

ROTTERDAM, 4 NOV. Van een 'aidsschandaal' als nu in Duitsland aan het licht is gekomen, zou in Nederland praktisch gesproken nooit sprake kunnen zijn, stelt professor dr. W.G. van Aken van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedient (CLB).

In Nederland bestaat eenduidige en waterdichte wetgeving. Mocht een bedrijf bloed of bloedplasma gaan inzamelen, dan zou onmiddellijk bij de inspectie aan de bel getrokken worden. In Duitsland ligt dat anders, omdat alle deelstaten op dat punt autonoom zijn en eigen wetgeving kennen. Er is dus geen toezicht vanuit een centraal punt.

In Duitsland zamelt het Rode Kruis 70 tot 80 procent van al het 'vol bloed' in. Het plasma dat daaruit wordt gehaald gaat deels naar ziekenhuizen, deels naar de industrie, die het opwerkt tot produkten als stollingsfactor 8 (voor hemofiliepatiënten), immunoglobuline en albumine. Naast het inzamelen van vol bloed is er ook de zogeheten plasmaferese: bij de donor wordt bloed afgetapt, buiten het lichaam wordt het plasma er uit gecentrifugeerd en de donor krijgt rode bloedcellen weer terug. Bij vol bloed kan de donor één maal per vier maand bloed afstaan, bij plasmaferese één maal per maand.

Twintig procent van alle bloed dat in Duitsland wordt gegeven wordt door universiteiten en 'Kommunalbanken' ingezameld. Zij betalen de donors en bevoorraden de industrie voor een deel. Daarnaast importeert de industrie bloed, waarvan de herkomst niet duidelijk is.

In Nederland is één systeem. Alleen het CLB in Amsterdam en 21 regionale bloedbanken zamelen in en screenen de donors, vrijwilligers die niet betaald worden. Daar komt geen industrie aan te pas. Van bloedprodukten als factor 8 wordt in Nederland vijf tot tien procent aangeboden door de industrie. “Er is nu eenmaal een vrije markt,” aldus professor Van Aken. Van die produkten is de veiligheid echter wel gegarandeerd.