'Bescherming van foetus onvolledig en tegenstrijdig'

ROTTERDAM, 3 NOV. De wet- en regelgeving ten aanzien van de ongeboren menselijke vrucht is in Nederland “op zijn zachtst gezegd onvolledig en soms tegenstrijdig”. Door de versnippering van allerlei bepalingen is het embryo in de periode van vlak na de eisprong tot de 26ste week (plus één dag) van zijn bestaan al dan niet binnen het lichaam van de moeder het ene moment 'volledig beschermd', het andere ogenblik 'volledig vogelvrij'.

Dat stelde gynaecoloog dr. C.A.M. Jansen van het Voorburgse Diaconessenhuis vandaag tijdens het congres 'Tien jaar IVF Nederland; het glazen huisje van de gezondheidszorg?'. Jansen pleit daarom voor een consistente wetgeving, zoals de Human Fertilisation Act in het Verenigd Koninkrijk.

Wanneer een eicel binnen acht tot twaalf uur na de ovulatie is bevrucht is die meteen beschermd op grond van artikel 18 van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen, voorzover het om handelingen buiten het lichaam van de moeder gaat. Binnen het lichaam geniet de vrucht geen enkele bescherming. Aan de conceptie kan bijvoorbeeld door de morning after-pil een eind worden gemaakt. In de praktijk geldt de bepaling vooral voor reageerbuisbevruchting of in vitro fertilisatie (IVF). De academische ziekenhuizen en vier algemene ziekenhuizen hebben daarvoor op grond van dat artikel een vergunning voor IVF en zijn aan strakke regels gebonden. Zij mogen bijvoorbeeld geen zogeheten 'blastula flushing' uitvoeren. Het gaat daarbij om een techniek, waarbij de bevruchte eicel, die zich na enkele dagen is gaan delen vóór dat zij zich in de baarmoederwand nestelt door de gynaecoloog wordt 'uitgespoeld'. Daarna wordt zij in de baarmoeder van de beoogde moeder kan worden geplaatst. Die techniek is expliciet verboden. Hoewel de wetgever het over een embryo heeft kan beter van een pre-embryo worden gesproken.

Voor een overigens technisch moeilijke en daarom nauwelijks meer toegepaste behandeling als IVC (in vitro cultuur) geldt geen enkele verbodsbepaling. Daarbij wordt een eicel en het zaad van de vader in een buisje enkele dagen in de vagina geplaatst om tot bevruchting en deling te komen. Is dat gelukt, dan wordt het pre-embryo in de baarmoeder gebracht. Voor die techniek is niets wettelijk geregeld, enkel omdat de bevruchting strikt genomen binnen het lichaam van de vrouw plaatsvindt, ook al wordt het buisje na de conceptie er weer uit gehaald.

Twee weken na de ovulatie merkt de vrouw of zij al dan niet zwanger is, doordat zij al dan niet menstrueert. Mocht zij inderdaad zwanger zijn en dus 'over tijd', dan kan zij naar de dokter om het embryo door 'vacuüm curettage' weg te laten halen. Op dat moment is ook nog geen sprake van een embryo, maar van een 'embryonale plaat' die nog niets weg heeft van een menselijk lichaam in wording. In de daarop volgende periode - van de 14de tot de 28ste dag na de conceptie is het dan gevormde embryo 'volstrekt' vogelvrij. Geen enkele arts is aan welke vergunning dan ook gebonden om een curettage uit te voeren. Ook voor de wijze waarop het embryo wordt vernietigd is niets geregeld.

Is de vrucht 28 dagen oud en om sociale of medische redenen ongewenst, dan is het weghalen daarvan volgens de wet een abortus provocatus. Als uitgangspunt is daarbij genomen dat het hartje van de foetus dan gaat kloppen. Uit onderzoek van de Nederlandse gynaecoloog dr. R. Schats is echter gebleken dat de hartactie van de foetus soms al na 25 dagen aantoonbaar is. Vrijwel alle ziekenhuizen en een aantal klinieken in Nederland hebben een vergunning voor het uitvoeren van abortussen. De instellingen moeten de abortussen registreren en per geval een aantal vragen laten beantwoorden. Abortus op sociale indicatie mag tot twintig 20 weken. Voor een medische indicatie - een niet met het leven verenigbare afwijking - geldt een termijn van 26 weken. Voor de wijze waarop ziekenhuizen en klinieken zich ontdoen van het foetaal materiaal bestaat geen enkele richtlijn of regel. Blijkt de gynaecoloog na 26 weken dat de foetus dermate defect is, dat het voldragen van de zwangerschap geen enkele zin heeft dan kan hij een 'baring' in gang zetten. In dat geval is volgens de wetgever echter sprake van een bevalling en dient van geboorte aangifte te worden gedaan bij de burgerlijke stand en moet het kind een naam worden gegeven. Bovendien dient het kind te worden begraven of gecremeerd, zoals dat in de Wet op de Lijkbezorging is beschreven.

“Er is behoefte aan een veel consistenter beleid en aan een eenduidige wetgeving,” aldus Jansen.