Tokio bouwt eilanden van afval; Vuilnisophaler is een geliefd beroep bij de Japanners

TOKIO, 3 NOV. In de Baai van Tokio liggen de gecamoufleerde gedenktekens van de Japanse wegwerpmaatschappij: zes kunstmatige eilanden. Een zevende is in de maak. Het gebeurt volgens de sandwichmethode: telkens drie meter afval afgedekt met een halve meter aarde tot 30 meter boven de zeespiegel. Op de zes andere, verspreid over de hele baai, zijn landingsbanen voor het vliegveld Haneda en golfbanen aangelegd. Eén heeft een botanische tuin en heet Droomeiland. Nog dik twee jaar en ook het laatste kunstmatige eiland is vol.

Vanaf het eiland, via een tunnel verbonden met het vasteland, is in de bleke najaarszon nog net het silhouet van de wolkenkrabbers van Tokio in de verte te zien. Het stinkt er - de uniforme stank van huisvuil. In kolonne wachten vuilnisauto's op hun beurt tot ze hun lading mogen kieperen. Iets verderop azen vervaarlijke vogels op voedselresten. De kraaien van Tokio. Dit is de laatste vuilnisbelt voor de Oceaan begint.

Afval is een acuut probleem in Tokio. De groei is onstuimig. Dat Japan zo veel afval afscheidt, komt vooral door de verpakkingsmanie van de Japanners. Aan de kassa van de supermarkt doet het winkelpersoneel om een pakje sigaretten nog een zakje. Van banketbakker tot warenhuis gaat de consument weg met de meest fraai verpakte boodschap. In esthetisch behagen scheppen Japanners genoegen. De veel gegeven geschenken worden vooral gewaardeerd om de manier waarop ze zijn verpakt. Meteen uitpakken is een affront. Het is de kunstzinnige vorm, minder de inhoud die telt. Maar deze lange traditie heeft in de wegwerpmaatschappij een kolossale afvalberg gebaard.

In 1989 bereikte de berg een onheilspellend hoogtepunt. In dat jaar werd in Tokio 4,9 miljoen ton huisvuil opgehaald, dat wil zeggen in de 23 stadsdistricten van Tokio (8,15 miljoen inwoners) die samen maar een vijfde van de hele metropool beslaan. Ongeveer even veel als heel Nederland (met 15 miljoen inwoners) jaarlijks afscheidt aan huisvuil. Sindsdien schiet de recessie de stadsbestuurders te hulp en daalt de jaarlijkse hoeveelheid enigszins. Maar op het stadhuis, dat zich alleen ontfermt over de 23 stadsdistricten, spreken ambtenaren zonder omhaal van een “afvalcrisis”.

Onlangs verzon de gemeente het plan om de verbrandingsfabrieken in de stad een langer leven te geven: invoering van vuilniszakken die bij lagere temperaturen konden worden verbrand. Het moesten ook doorzichtige zakken worden, want dat zou de veiligheid voor de vuilnismannen vergroten. Dat bracht de inwoners tot een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid, die voor een lijdzame Japanner hoogst ongewoon was. Doorzichtige zakken waren een aantasting van de privacy. De bureaucratische maatregel dat iedereen zijn naam op zijn vuilniszak moest schrijven, bracht vele burgers in verhoogde staat van verontwaardiging.

De nieuwe zakken werden massaal gemeden - wat werd vergemakkelijkt doordat de doorzichtige zak in vrijwel geen winkel verkrijgbaar was en voor zover wel, ze van een buitensporig groot formaat waren. Volgens de laatste enquête wordt maar tien procent van het huisvuil in Tokio in de nieuwe zak verzameld. De gemeente, intussen wijzer geworden, heeft nu een overgangstermijn ingesteld. Vanaf 1 januari is het verplicht, anders laten de vuilnismannen de zakken staan.

De verhouding tussen brandbaar en onbrandbaar huisvuil in Tokio is drie op één. Nog geen één procent wordt hergebruikt. Het vuil wordt netjes gescheiden verzameld door de miljoenen bewoners. Maar door gebrek aan verbrandingscapaciteit wordt een vijfde van het brandbare afval direct gestort op het kunstmatige eiland in de baai. Dat verkort uiteraard de levensduur van de capaciteit voor het echte, onbrandbare stortafval.

Het stadhuis heeft zijn hoop nu gevestigd op een nieuw eiland dat zou moeten grenzen aan het laatste. Aan de beslissing, waarover al twee jaar wordt gepraat, zouden nog allerlei technische haken en ogen kleven en dat moet haast ook wel, want op de bewuste plek is niets anders te zien dan zeewater. Het achtste eiland zou Tokio nog twintig jaar respijt geven, als tenminste alle mogelijke maatregelen worden getroffen om de stroom afval in te dammen, zoals verbranding. In de overbevolkte stad zelf is al jaren geen enkele stortruimte meer.

Om de verbrandingscapaciteit op te voeren zullen tien extra verbrandingsfabrieken gebouwd worden, die gebruikmaken van de meest geavanceerde techniek. Zo'n gloednieuwe, volledig geautomatiseerde fabriek staat midden in het drukke stadsdistrict Meguro en is een wonder van vernuft. Hillary Clinton was er nog in juli, tijdens de wereldtop van de G-7, getuige de vele foto's in de wandelgang.

De warmte die vrijkomt bij de verbranding gebruikt de fabriek zelf, net als de elektriciteit die met stoomturbines wordt opgewekt, en de rest wordt geleverd aan een kleuterschool en een recreatiecentrum in de buurt. Dat gebeurt bij vrijwel alle vijftien verbrandingsfabrieken die Tokio telt, andere afnemers variëren van zwembaden via wooncomplexen tot sportlokaties. Zo zijn de fabrieken bijna zelfvoorzienend in hun elektriciteit en de rest, bijna de helft van hun totale elektriciteitsproduktie, wordt geleverd aan de centrales van de stad.

Tegen de uitstoot van gevaarlijke gassen zijn strenge milieuvoorzieningen getroffen, evenals ten behoeve van de scheiding van zware metalen. Ook hier rijden de vuilniswagens in kolonne af en aan.

De wagens zijn niet groot, er kan maar twee ton afval in, de vele nauwe straatjes van Tokio staan grotere auto's niet toe. Tweederde van de auto's is eigendom van particuliere bedrijven. Elke morgen pikken de 3.700 auto's de bijna twee maal zo veel vuilnismannen, allen in dienst van de gemeente, op bij een van de 44 verzamelbureau's in de stad. Het is volgens gemeenteambtenaar Hiroshi Sakai een geliefd beroep.

Elk jaar melden zich drie maal zo veel kandidaten aan als kunnen worden aangenomen. Niettemin mogen hun gezichten niet worden gefotografeerd, want ze staan liever niet in de krant, zegt Sakai, ook niet in een krant uit het verre Westen, bang als ze zijn door bekenden te worden ontdekt als vuilnisman.

    • Paul Friese