Rechter ondershands betaald.

De openbaarheid van rechtspraak is in de grondwet verankerd. Minister Hirsch Ballin (Justitie) acht die openheid vooral van belang om het rechterlijk optreden inzichtelijk en controleerbaar te maken.

De belastingrechtspraak vindt evenwel steevast achter gesloten deuren plaats. Toch biedt juist volledige openbaarheid de rechters bescherming als hun integriteit in twijfel getrokken zou worden. Zonder deze steun in de rug moeten belastingrechters dus extra op hun tellen passen. In geen geval mogen ze de indruk wekken buiten Justitie om betalingen van derden te ontvangen voor rechterswerk. Het zou helemaal verkeerd zijn als zulke privé-transacties tot gevolg hebben dat degene die betaalt daar bij de overheid privileges mee verwerft. Een onderzoek van de Nationale ombudsman mr. Oosting roept vragen op over betalingen die enkele uitgevers ondershands hebben gedaan aan belastingrechters in Arnhem.

De aanleiding voor het onderzoek was een klacht van dr. N. Nobel, hoofdredacteur van de nieuwsbrief Fiscaal-Up-to-Date. Dat vakblad bespreekt ondermeer de uitspraken van de belastingkamers van de vijf gerechtshoven in Nederland. De (vak)pers kan evenwel niet zelf bepalen over welke uitspraken ze wil schrijven. De rechters selecteren uit het in beginsel vertrouwelijke materiaal. Uit het onderzoek blijkt dat zij dat doen aan de hand van hun persoonlijk idee over de publiciteitswaarde van de berechte zaken. Voordat de vonnissen naar de (vak)pers gaan, worden alle namen onherkenbaar gemaakt. Bij het Arnhemse gerechtshof is de selectie toegedeeld aan één raadsheer die het werk op persoonlijke titel en in vrije tijd verricht. De ombudsman gaat er evenwel van uit dat het om een onderdeel van het normale rechterswerk gaat. De uitgevers van ongeveer tien fiscale vakbladen betaalden de betrokken rechter daarvoor een bedrag van jaarlijks 6.000 gulden boven de wettelijke vastgestelde prijs voor de toezending van uitspraken. De betrokken rechter wordt door de ombudsman aangeduid als mr. A. Tussen 1986 en 1990 verrichte ook Nobel onder protest deze extra betalingen. In 1990 stopte hij met de overmakingen naar mr. A. wiens handelwijze hij als machtsmisbruik kwalificeerde. Subiet staakte de griffie (administratie) van het Arnhemse gerechtshof de toezending van vrijgegeven uitspraken. Dat leverde Nobel onoverkomelijke problemen op. Weliswaar kon hij via een omslachtige procedure afzonderlijke uitspraken opvragen, maar dan moest hij het rolnummer (inschrijvingsnummer) opgeven. Het Hof weigerde hem evenwel de nummers te noemen van de vrijgegeven uitspraken, ook nadat die al waren verstuurd naar de bladen die wel aan mr. A betaalden. De ombudsman heeft nu beslist dat deze informatie op grond van de wet wel degelijk aan Nobel verstrekt had moeten worden.

Maar in 1990 zat Nobel met de handen in het haar. Pas uit publikatie in de concurrerende bladen kon hij de rolnummers van de Arnhemse zaken lezen en vervolgens de tekst aanvragen. Nadat eerder een vice-president van het gerechtshof in Amsterdam zich al na korte tijd uit een intermediaire rol had teruggetrokken, probeerde een advocaat-generaal bij de Hoge Raad, (aangeduid als mr. B.) in deze delicate zaak te bemiddelen. De verzending naar Nobel werd evenwel pas hervat nadat deze had toegezegd buiten Justitie om rechtstreeks geldbedragen te betalen aan een vice-president van het Arnhemse gerechtshof (aangeduid als mr. C). Om de toezending te laten doorlopen moest Nobel later ook betalen aan een zekere mr. D. Nobel legde zich niet neer bij deze voorwaarden en wendde zich tot de minister van justitie. Diens aanvankelijke standpunt was dat de praktijk in Arnhem niet juist was, maar later trok hij zijn handen van de zaak af. Tegenover de inmiddels ingeschakelde ombudsman liet minister Hirsch Ballin weten 'zich te onthouden van commentaar op gedragingen en opvattingen van leden van de rechterlijke macht'. De ombudsman vindt dat de bewindsman zich ten onrechte achter dit standpunt verschuilt. In de eerste plaats is het ambtelijk apparaat (griffie) van het Arnhemse gerechtshof voor dit soort zaken ondergeschikt aan de minister. De griffier kende diens afkeurende standpunt. Toch bleef de griffie volgens de opdrachten van mr. A handelen zonder dat de minister ingreep. Bovendien had Hirsch Ballin naar het oordeel van de ombudsman wel degelijk 'overleg' kunnen voeren met de huidige vice-president die het extra betaalde werk verricht: mr. D.C. Smit. Daarmee zou de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet zijn doorkruist. De minister had de rechters in zo'n gesprek zijn mening kunnen geven. De ombudsman vraagt de minister van justitie, de zaak voorzover nodig alsnog recht te trekken. Minister Hirsch Ballin heeft overigens laten weten dat hij werkt aan een landelijke oplossing voor de problemen. Hij wil de verzending van op de gerechtshoven geselecteerde uitspraken voortaan toevertrouwen aan de Hoge Raad.