Pokerspel om Euro-instelling vereiste hoog inzetten

De Tweede Kamer kreeg gisteren van premier Lubbers uitleg van het pokerspel rondom de verdeling van de Europese instellingen.

DEN HAAG, 3 NOV. “Naïef en infantiel” zou het zijn geweest, zei premier Lubbers gisteravond in de Tweede Kamer, “als we alleen maar voor de Europese Centrale Bank zouden zijn gegaan”. Een tactiek om in het carrousel van Europese instellingen uitsluitend in te zetten op de vestiging van de Eurobank in Amsterdam, was alleen zinvol geweest in combinatie met een veto bij toewijzing van de bank aan een ander land. Als dat was gebeurd, hadden de veto's van Nederland en Duitsland tegenover elkaar gestaan.

Hoewel de Tweede Kamer daar gisteravond bij de nabespreking van de Europese top van afgelopen vrijdag in eerste termijn niet eens zo op aandrong, schetste de minister-president nog eens uitvoerig het Europese pokerspel rondom de instellingen, waaruit Nederland uiteindelijk niet de bank maar de politieorganisatie Europol trok. En ook gisteravond waren er weer Kamerleden, die de tactiek van het kabinet om naast de bank ook het Europese Merkenbureau en Europol te claimen verkeerd vonden, omdat dit te gemakkelijk de mogelijkheid bood Nederland voor de hoofdprijs te passeren.

Lubbers vond dat dus naïef, in elk geval vanaf het moment - vlak voor de EG-top van Lissabon in juni 1992 - dat het Portugese voorzitterschap de bank aan Duitsland toekende en Europol aan Nederland. De hoofdrolspeler tot dan toe in Lubbers' korte schets van het voorafgaande was de Franse president Mitterrand geweest. Vóór de topconferentie van Maastricht in december 1991 was hij voorstander van vestiging van de Europese Centrale Bank in Amsterdam. In hetzelfde pakket van de Fransman zat Straatsburg als vaste vestigingsplaats van het Europese Parlement.

Ook tijdens de top van Maastricht, aldus Lubbers, schoof Mitterrand nog steeds Amsterdam naar voren, evenals de meeste andere EG-landen, behalve uiteraard Duitsland en Engeland, die de bank in respectievelijk Frankfurt en Londen wilden hebben. “Op dat moment was er een hele redelijke kans voor Nederland op de bank”, aldus de premier gisteravond. Het moment verging, daar de Belgische premier Martens meteen het Europese Parlement definitief aan Brussel wilde toewijzen. En dat wilde Mitterrand niet. Geen package deal dus, geen bank naar Amsterdam.

In Lissabon een half jaar later lagen de kaarten inmiddels geheel anders. Onder aanvoering van de Duitse minister van financiën Waigel, had Duitsland de toekomst van de monetaire unie verbonden aan Frankfurt als vestigingsoord voor de centrale bank. Frankfurt of niets, zo luidde het devies. En het klonk zo overtuigend, dat de Portugese premier Lubbers een lijstje produceerde, waarop Nederland Europol èn de eerste president van de centrale bank kreeg.

“Jammer, zeiden wij. Maar als iedereen daar ja tegen zei - en dat was het geval in Lissabon - ging de bank naar Duitsland. We zijn nog wel doorgegaan op de grote voordelen van Nederland te wijzen, maar de kansen waren gekeerd”, aldus de Nederlandse premier. Dat het in Lissabon niet tot besluitvorming kwam, lag deze keer aan de Britse premier Major, die problemen kreeg met de ratificatie van het verdrag van Maastricht en even geen negatieve publiciteit (geen bank naar Londen) kon gebruiken.

Nederland, aldus nog steeds het betoog van de premier in de Kamer, putte enige hoop uit het feit dat Duitsland zelf de bank in Frankfurt wilde neerzetten en veel andere landen liever Bonn hadden. De Europese Centrale Bank kwam dan immers niet direct naast de in Frankfurt gevestigde Deutsche Bundesbank te staan en dat lag psychologisch buiten Duitsland wat makkelijker. “Als dat tot een patstelling had geleid, had Nederland daar nog voordeel uit kunnen halen”, formuleerde de premier het. Tot die patstelling kwam het niet, want het Duitse publiek begon zich te roeren: het zag ineens allemaal bezwaren in het doen opgaan van de D-mark in een Europees muntstelsel. Parijs en Londen en een reeks andere hoofdsteden namen geen risico: dan de bank maar in Frankfurt. In de woorden van Lubbers: “Men zag in dat Duitsland geen spelletje speelde, maar meende wat het zei.”

Het ,smalle paadje”, dat nog open had gelegen voor Nederland, groeide dicht. Europol kwam in het verschiet. Toch bleef men vasthouden aan de bank, zei Lubbers. “Gelouterd” als men was in de Europese politiek moest Nederland op dat punt zijn 'nuisance value' zo lang mogelijk blijven uitspelen, om er zeker van te zijn dat achter Europol de naam van Den Haag ingevuld bleef. En Europol werd het, een 'groeifonds', zoals Lubbers het noemde.

Het spel van de afgelopen weken van de premier hoorde daar allemaal bij. Zijn dreigement met een veto op 22 februari tijdens zijn vrijdagse persconferentie, als Nederland niet een van de drie door hem gewenste instellingen (bank, merkenbureau, Europol) kreeg, was een stukje toneelspel. Want al op 8 oktober had de Belgische premier Dehaene, die als EG-voorzitter het definitieve verdelingsplan moest maken, hem de lijst laten zien, met Europol toegewezen aan Den Haag. De ontmoeting vond plaats in Wenen, in de marge van de topconferentie van de Raad van Europa.

Dehaene hoefde daarna ook niet meer voor de gebruikelijke ronde van de EG-voorzitter naar Den Haag te komen. Terwijl Amsterdam de premier nog eens geïrriteerd aanspoorde voor een laatste opofferingsslag ten behoeve van de bank aan de Amstel, wist de premier al definitief hoe de buit was verdeeld. Dat vertelde hij echter niet gisteravond in de Tweede Kamer. Hij had immers niet de vrijheid, zei hij, de gesprekken met zijn collega's te verslaan. “Dat schaadt de persoonlijke verhoudingen en dat lijkt me niet gewenst.”