Muziek als klinkende landschappen

Concert: Ensemble Die Maulwerker o.l.v. Dieter Schnebel met Museumsstücke van Schnebel. Gehoord: 31/10 De Oosterpoort Groningen.

De Franse schilder Eugène Delacroix (1798-1863), schepper van kleurige uitheemse en groots opgezette fantastische doeken, droomde van een in zijn tijd volstrekt onbestaanbare, rijke muziek, die in staat was gebruik te maken van de wereld van de natuur. De Franse 'musique concrète' heeft die droom rond 1949 weten waar te maken.

Merkwaardigerwijs kon Dieter Schnebel zondag in de Oosterpoort aantonen dat eigenlijk iedere vocalist als het ware een elektronische studio met zich meedraagt. Schnebel was in Groningen de centrale figuur op het festival 'Denkbare Musik', zo genoemd naar de titel van zijn verzamelde geschriften 1952-1972.

Schnebels Museumsstücke voor zes beweeglijke stemmen en een beperkt aantal klankobjecten uit 1993 beleefde in Groningen zijn première. Schnebel componeert als het ware schilderijen, tekeningen en etsen met titels als Nature morte, Skulpturen und Porträts, Blumen und Arabesken. De klinkende landschappen, zeebeelden en Waldstücke fascineren een moment, maar zeker niet een uur, want te veel improvisatie liet te weinig ruimte voor 'echte' noten.

Schnebel werkte als theoloog, filosoof en sinds 1976 als hoogleraar muziek en wetenschap in Berlijn. Hij experimenteerde al vroeg met de menselijke stem in opzienbarende composities als Für Stimmen Missa est (1956-1959) en de serie Projekte (1958-1961), een en ander culminerend in Maulwerke en Körper-Sprache uit de cyclus Produktionsprozesse (1968-1989). Museumsstücke benut al deze ervaringen, maar zo elementair streng als de vroegere toepassingen waren in een volstrekt concessieloos avantgardisme, zo 'freewheelend' luchtig zijn ze nu verwerkt, vaak uitgesproken romantisch - weer een ander uiterste!

Het begin is veelbelovend: uit alle hoeken en plekken van de zaal dwalen signaalachtige klanken rond, geforceerd door instrumenten als handtrommel met harde gummiballen, sirenes, autoclaxons en rijwielbellen. Met slechts kleine accenten zoals het bekloppen met de vingernagel van welk voorwerp dan ook, weet Schnebel, net als Kagel, de aandacht vast te houden, dat wil zeggen, hooguit voor vier à vijf minuten.

Sterk is de centrale scène met keihard ratelende borden, glazen en bestek, begeleid door woest gelach en gevloek; zo'n klankbeeld dat huiveringwekkende ervaringen op kan leveren, zoals wanneer in een Zuidduitse 'Kneipe' de stemming goed (dus wel heel erg slecht) op gang komt.

Aan Schnebels klankfantasie valt dan ook niet te twijfelen en zoals gezegd, zijn groep van vier zangeressen en vier zangers staat voor niets. Delacroix had het niet overleefd. Desalniettemin prefereer ik de meer genadeloos consequente vroegere Maulwerke, dit is mij toch te vrijblijvend van aard.

    • Ernst Vermeulen