Jos de Putter debuteert indrukwekkend met portret van zijn ouders; Documentaire over essentie van het boerenbestaan

Het is een schone dag geweest. Regie: Jos de Putter. In: Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt.

Met grote woorden zou je kunnen zeggen dat het in film vaak gaat om de spanning tussen schijn en wezen. De bedrieglijke realiteit van beeld en geluid lijkt geen ruimte te laten voor twijfel: wat je ziet is wat je krijgt. De echt grote filmmakers zijn zich terdege bewust van het dwingende karakter van het medium en manipuleren de kijker zorgvuldig. Ze creëren een nauwgezet geconstrueerde schijnwereld als Fellini en berekenen hun effecten als Hitchcock. Die totale controle garandeert dat de essentie herkenbaar blijft.

Er is een andere manier om jezelf als filmmaker trouw te blijven, namelijk door alle afleidende onzin weg te snijden tot er een geraamte over blijft. Bresson baseerde zelfs een hele theorie op dat uitgangspunt. In zijn filmkunst, die hij 'le cinématographe' doopte, is geen ruimte voor psychologie, klassieke opvattingen over drama en esthetiek, kortom: alles wat film maakt tot een prettig verteerbaar consumptieartikel. Alleen de zuivere handelingen van de tot 'modellen' gereduceerde acteurs, de essentie dus, wil Bresson ons tonen.

Jos de Putter (34), filmcriticus van Skrien, De Groene en het Haarlems Dagblad, kent dit soort mechanismen en weet ook dat ze voor documentaires net zo gelden als voor speelfilms. In zijn regiedebuut Het is een schone dag geweest, een documentaire over zijn ouders in Zeeuws-Vlaanderen met als ondertitel Vertelling over een laatste oogstjaar, citeert De Putter zelfs Bresson: de scène waarin de verkoop van de laatste koeien verbeeld wordt door een close-up van twee paar handen, die elf biljetten van duizend gulden uittellen en daarna de jenever inschenken, is een duidelijke hommage aan Pickpocket en L'argent.

Ook al voel je de aanwezigheid van een filmisch bewustzijn steeds op de achtergrond, De Putter, die eerder slechts enkele korte televisiereportages in Cambodja en Bulgarije maakte, heeft als filmmaker het wiel opnieuw uitgevonden. Hij construeerde niet, zoals Bresson, een essentie, maar liet die volledig voor zichzelf spreken. Door zijn vader, en in mindere mate zijn moeder, in alle rust hun gewone bezigheden - die de regisseur in dit geval heel goed kende - te laten verrichten voor de camera van Melle van Essen en Stef Tijdink, druipt de schijn als water langs het wezen naar beneden.

Het verhaal begint op 1 januari 's morgens om zes uur. Willem de Putter zit in de keuken en luistert naar de nieuwsberichten, over ongeregeldheden in de binnenstad en opstandige asielzoekers. Dan staat hij op, doet de radio uit en gaat aan het werk.

Gedurende vier seizoenen volgt de camera het verloop van het laatste jaar van een zelfstandige boer, die nauwelijks gemechaniseerd heeft, weigert om economische redenen een deel van zijn land braak te laten liggen (“een boer die 'braakt', dat is geen boer”), de rogge op de akker proeft en tarwekorrels met de hand telt. Er is geen commentaar, geen toegevoegde informatie, slechts de spaarzame woorden, die De Putter in stugge interviews aan zijn vader weet te ontlokken. Na de vraag wat dit afscheid voor hem persoonlijk betekent, zwijgt De Putter sr. 23 seconden en antwoordt met de wedervraag: “Hoe bedoel je, persoonlijk?”.

De betekenis van de beelden en de weinige, terecht wegens het dialect ondertitelde woorden kunnen we zelf invullen. De gedachte dringt zich op dat er aan het einde van de twintigste eeuw een einde is gekomen aan een beschaving, die de mens verbond met zijn land, zodat we weer nomaden worden. En dat De Putter jr., die geen boer werd, maar de film opdroeg aan “mijn vader die me van het land en mijn moeder die me van film heeft leren houden”, met deze monumentale film toch een klein beetje de traditie van zijn familie voortgezet heeft.

Over Het is een schone dag geweest kunnen licht misverstanden ontstaan. Het is geen 'cinéma vérité', een film die zichzelf maakte. Daarvoor is het tempo te rustig, de vormgeving te afgewogen en doordacht. Het is ook geen overgeësthetiseerd lied van de aarde; de zuiverheid van de beelden en geluiden (de stilte van een besneeuwd weiland, een laantje in het voorjaar, de dialoog met een vissende buurman) sluit 'Schönfilmerei' uit. De Putter heeft zijn mooiste plaatjes juist weggegooid in de montage (van Nathalie Alonso Casale en Riekje Ziengs) en het 'Bertolucci-achtige' interieur van de schuur met spinrag niet eens willen filmen. Bovenal is zijn film geen ego-document over een filmer en zijn ouders, zoals ze tegenwoordig bij bosjes gemaakt worden. Het lijkt soms wel of de subjectiviteit van een documentaire gewaarborgd kan worden door de maker sprekend op te voeren. De Putter jr. is te bescheiden en te discreet om in die valkuil te lopen; bovendien heeft hij zo'n goedkope truc niet nodig om de film een persoonlijke signatuur te verschaffen.

Het is een schone dag geweest combineert cinematografische finesse, kennis en gevoel met de kracht van de eenvoud. Het thema en de schoonheid van De Putters natuurlijke 'uitbening' moet universeel tot de verbeelding spreken, van Zeeuwse boeren en van cinefielen. Elke volgende discussie over wat een 'creatieve documentaire' is kan simpelweg beantwoord worden door te verwijzen naar dit schoolvoorbeeld. De Putter won tijdens de afgelopen Nederlandse Filmdagen slechts een troostprijs. De pummels in de echte jury die de kwaliteiten van Het is een schone dag geweest over het hoofd zagen, verdienen niet beter dan de tegenwoordig als documentaire gepresenteerde televisiereportages, die schijn van wezen trachten te onderscheiden door het verschaffen van informatie in woorden en cijfers.

    • Hans Beerekamp