Heintje Davids

't Verbazingwekkende is niet dat Adriaan Venema zelfmoord heeft gepleegd, 't verbazingwekkende is dat hij dat pas nu heeft gedaan.

Zelden zullen de produkten van een schrijver tijdens zijn leven met zo'n regelmaat als ondeugdelijk aan de kaak zijn gesteld. Maar na elke ontmaskering wachtte Adriaan Venema tot de storm om zijn hoofd was geluwd om vervolgens een nieuwe gooi te wagen.

In een andere gedaante, op een ander terrein.

Om ook op dat terrein weer te beantwoorden aan zijn reputatie als oplichter.

Het begon omstreeks 1970 met een paar romannetjes. Naar aanleiding van een flutding over Ludwig van Beieren schreef ik toen (ik besprak wel eens een boek): 'Venema heeft een soort klutswerk verricht, of vriendelijker gezegd, een collage gemaakt van in de steek gelaten opzetjes, uittreksels uit boeken, aftreksels van die uittreksels (...), aangevuld met eigen opwellingen, alles bij toeval gegroepeerd om een historisch figuur, van wie hij niets begrijpt.'

Profetische woorden! Zo ongeveer zou het blijven, bij elke volgende gooi.

Adriaan Venema werd wetenschapper en schreef Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur. Een soort babbeldagboek met veel citaten (zonder aanhalingstekens) uit boeken die zich per ongeluk op 's schrijvers schamele Tomado-rekje hadden bevonden.

Dat het werkje door kenners van het onderwerp werd neergesabeld zou te sterk zijn uitgedrukt. Het zakte in door zijn eigen gebrek aan inhoud.

Adriaan Venema dook onder.

Enige jaren later keerde hij terug als kunsthistoricus. Met werken die er duur en indrukwekkend uitzagen, maar die wederom van onjuistheden, verzinsels en sales-talk aan elkaar hingen. Nooit heette zo'n kunstboek eens Mijn omgekieperde knipselbak over een handjevol Bergense schilders maar altijd resoluut De Bergense school, daarmee voor jaren de markt bedervend voor een serieuze studie over het onderwerp, zoals hij dat ook met zijn Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur had gedaan.

Onbetrouwbare, onbruikbare boeken. Ditmaal was het de beurt aan de kunsthistorici om Adriaan Venema in het zonnetje te zetten.

Het aantal kunsthistorische fouten dat ze ontdekten liep gelijk op met het aantal kunsthistorische zinnen dat Venema had geschreven. Alles was fout, vals, fout, vals.

Venema zweeg opnieuw een tijd.

Iedereen hield zijn hart vast. Wat zou hij bij zijn zoveelste come-back dodelijk omhelzen?

Een tweede poging, in de jaren tachtig, om als romancier te debuteren viel nauwelijks op.

Toen stortte Adriaan zich definitief op de Tweede Wereldoorlog. En wel - hou je even vast - op het thema goed en fout.

Het moet zijn begonnen omdat hij wat roddels kende uit de kunsthandel waarin hij jarenlang had rondgehangen, maar van lieverlede kwam iedere schrijver en kunstenaar, iedere knoeier en half-intellectueel die in de oorlog ook maar enigszins de luiers was ontgroeid aan de beurt.

De tasjesdief was zich gaan verbeelden dat hij op de politiestoel zat, de man die het nooit zo nauw met de zeden nam was zedenrechter geworden.

Een zeker vertoon van hard werken bij het geweld aandoen van de waarheid kon Adriaan Venema niet worden ontzegd. Hij moet bij vlagen een enorme energie hebben gestoken in zijn slordigheid. Het werden wéér boeken vol scheve schaatsen, bluf en onbegrip, maar ze waren talrijk en dik.

De zelfmoord heeft aan dit pijnlijk masochisme een einde gemaakt. Maar van iemand die zo onbetrouwbaar schreef en die in geen van zijn gedaanten het onderscheid tussen fictie en feiten kende vertrouw je zelfs de dood niet.

Diep in mijn hart ben ik er van overtuigd dat Adriaan Venema een dummy heeft vermoord en intussen zelf, in een hangmat op een tropisch eiland, ligt te broeden op zijn derde terugkeer als literair debutant.