Eilanden van musici in Archipelago S van Takemitsu; Asko onverbeterlijk Japans

Concert: Asko Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. Werken van Knussen, Takemitsu en Lindberg. Gehoord 2/11 Paradiso Amsterdam. Herhaling 6/11 De Oosterpoort Groningen.

In Antwerpen viel onlangs bij het staatssymfonie-orkest van Tokio een idiomatische uitvoering te beluisteren van een kort vioolconcert van Toru Takemitsu: buigzaam en sterk als bamboe, vervluchtend en transparant als water. Onwillekeurig vereenzelvigt men het Asko, dat dinsdagavond in Paradiso de Nederlandse première bracht van Takemitsu's Archipelago S (1993), met de schrille en aardse klankstoten van een Varèse of een Xenakis en zeker niet met de weke aquarellen van Takemitsu. Maar het werkplaatskarakter van het Asko hoort bij de jaren zestig en zeventig en dat is verleden tijd. Dirigent Oliver Knussen kostte het gisteren geen enkele moeite om Takemitsu's natuurevocaties op te roepen en geen Japans orkest had dit het Asko kunnen verbeteren.

Archipelago S voor 21 instrumenten (tijdsduur 14 minuten) verwijst in zijn meervouds-s naar de favoriete archipels van Takemitsu: die van Stockholm, Seattle en de eilanden in de Japanse binnenzee Seto. Meer terzake lijkt mij de bezetting in vijf eilanden-groepen. Achter neemt het koper plaats, links vinden we hobo (oboe d'amore) met strijkers, harp en slagwerk, rechts fluit (altfluit) en fagot met strijkers, celesta en slagwerk. Twee solo-klarinetten vormen mini-eilandjes die voor het ruimtelijk effect ver van de anderen behoren te worden opgesteld.

Elke motorische impuls ontbreekt, zoals veelal bij Debussy en ook als alle groepen klinken, blijft toch de transparantie opmerkelijk. Het begin met enkele noten in de harp, opgevangen door zachte strijkers en overgenomen door weke hoorns werkt als een beginselsverklaring. De strijkers krijgen extra glans door aangestreken cymbalen, later door de hoge celesta, in wezen zijn het zeer eenvoudige, maar doeltreffende mengklanken. Prachtig zijn de Debussyaanse duetten van altfluit/fagot of gewone fluit/oboe d'amore.

Als Takemitsu zich beperkt tot slechts enkele instrumenten, zoals in Waves uit 1976, zoekt hij het meer in dramatiek. Sterker is het uitblinken in een zacht ademend gesuizel van hoorn en trombones.

Knussen's eigen composities - Ophelia Dances opus 13 uit 1975 en Songs without Voices opus 26 uit 1991-'92 - vormden een uitstekende opmaat voor de Japanner: verfijning te over, zij het op een gewone manier. Het idee: liederen zonder stemmen, lettergreep voor lettergreep door instrumenten uitgevoerd. Ook hier betoverde het Asko zijn publiek en meende ik Debussy te horen mompelen “c'est bien”.

    • Ernst Vermeulen