Criminelen en politiek

MET EEN BESLOTEN overleg tussen de fractievoorzitters van de grote partijen uit de Tweede Kamer, de ministers van binnenlandse zaken en justitie en het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst is gisteravond, als het aan dit gezelschap ligt, het doek gevallen over de zaak rond de infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in de politiek. Volgens de voorzitter van de vaste commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, CDA-fractievoorzitter Brinkman, is er geen reden om meer informatie naar buiten te brengen dan tot nu toe is gebeurd.

Enkele puzzelstukken liggen op straat, meer zullen er niet bijkomen. Of het beeld klopt, zoals dat de afgelopen week is geschetst, blijft gissen. Er zijn vermoedens en aanwijzingen, maar de aangeklaagden - van wie de namen slechts aan een zeer select gezelschap zijn meegedeeld - zijn niet in staat van beschuldiging gesteld. Het in een rechtsstaat gebruikelijke verweer ontbreekt dan ook. Wie in een kwestie als deze meent te kunnen volstaan met halve mededelingen, moet goede argumenten hebben, want het geheel maakt nu een vooral slordige, wat opgeklopte indruk.

Voorop staat dat het gevaar van infiltratie in de politiek serieus genomen dient te worden. Nederland is niet uniek en het zou naief zijn te veronderstellen dat wat in het buitenland meer dan eens is aangetoond, hier onbestaanbaar is. Daarbij is van belang dat niet alles wat met onoirbaar gedrag te maken heeft, op één hoop wordt gegooid. Onder de noemer van de bestuurlijke integriteit vallen vele zaken die niet allemaal op dezelfde manier zijn te benaderen. Zo is er een duidelijk verschil tussen corruptie en infiltratie; al te vaak worden deze twee praktijken in één adem genoemd. Het verschil is dat degene die zich aan corruptie bezondigt, een strafbare handeling pleegt. Dat ligt anders voor iemand die uit niet geheel nobele motieven actief wordt in een politieke partij. Om het helder te stellen: er zijn wel meer belangenbehartigers actief in de politiek.

TOCH BEGINT HET hier al te wringen. In zijn antwoord op vragen van Kamervoorzitter Deetman heeft minister Hirsch Ballin van justitie deze week geschreven dat drie gevallen naar voren zijn gekomen waarin sprake is van nauwe contacten tussen personen die enerzijds politieke activiteiten ontplooien en anderzijds bestendige contacten blijken te hebben met criminele organisaties. Hij voegt er aan toe dat de drie personen op dit moment niet zelf als verdachten in strafrechtelijke onderzoeken zijn betrokken. Te hopen valt dat het enkele feit van het hebben van verkeerde vrienden geen reden is om iemand met politieke ambities als infiltrant aan te duiden. Maar hoe kan een dergelijke beschuldiging worden getoetst als de 'dader' niet eens op de hoogte is gesteld?

In die zin is de vraag die Kamervoorzitter Deetman heeft opgeworpen terecht: in hoeverre moeten personen die worden verdacht van contacten met de georganiseerde misdaad en van pogingen om te infiltreren in de politiek, niet worden geïnformeerd over die bedenkingen? In de drie gevallen waarover de ophef van de laatste weken is ontstaan, blijkt de 'infiltratiepoging' tijdig te zijn afgewend door de betrokkenen niet op een kandidatenlijst te plaatsen. Zij zijn afgehouden van het bekleden van publieke en bestuurlijke functies, nadat de verantwoordelijken uit de partij over de contacten waren ingelicht. Maar wie toetst de beschuldigingen? Is een afgewezen kandidaat niet overgeleverd aan willekeur?

VOOR DE GEORGANISEERDE criminaliteit is het van levensbelang tot de bovenwereld door te dringen en het is evident dat de politiek daarbij niet buiten beschouwing blijft. Voor de politieke partijen die tegenwoordig een veel meer open karakter hebben dan vroeger, is uiterste waakzaamheid bij de recrutering vereist. Deze waakzaamheid kan niet beperkt blijven tot de partijgangers die een politieke functie willen bekleden. Voor criminele organisaties kan assisterend personeel in het politieke bedrijf, dat met gevoelige informatie in aanraking komt, minstens zo interessant zijn. Het laat tevens de complexiteit van het probleem zien. Letterlijk en figuurlijk is er sprake van grote schemerzones aan beide kanten. Aan politieke partijen en overheid de taak te zorgen voor zoveel mogelijk licht. Anders gezegd: de drukte oogt wat gekunsteld, maar de discussie begint nu pas.