Advocaat-generaal niet langer trots op vak; Couzijn hekelt mediabeleid van OM

DEN HAAG, 3 NOV. Het openbaar ministerie verkleint zijn mogelijkheden op een succesvolle bestrijding van de georganiseerde misdaad door de wijze waarop zaken in de media worden gebracht. Dat zegt mr. A. Couzijn, advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Haag.

De advocaat-generaal verlaat na veertien jaar het OM. Begin volgend jaar wordt ze directeur algemene bestuurszaken bij de gemeente Rotterdam. “Ik ben trots op dit vak geweest”, zegt ze, nadrukkelijk in de voltooid verleden tijd sprekend. Trots over de ontwikkeling die het vak nu doormaakt, ontbreekt.

Wanneer de politie tegenwoordig een criminele organisatie oprolt, komt dit met veel fanfare en een veelheid aan details in de krant of op de tv, zo constateert Couzijn. “Daarmee zetten ze de etalage al vol voordat de schappen zijn gevuld.” Ze vreest dat Justitie hiermee troeven uit handen geeft, waardoor de kans bestaat dat uiteindelijk “alleen de sukkels” worden berecht. “Wat voor indruk maakt het OM wanneer je drie dagen na een criminele organisatie ontmanteld te hebben weer 'een financieel brein' moet laten gaan?”

Niet alleen de berichtgeving over de 'zware en georganiseerde misdaad' stemt haar treurig. Ook de uitspraken van de minister van justitie over de dreiging van de georganiseerde misdaad kan haar waardering niet wegdragen. Er bestaat volgens Couzijn nog veel te weinig kennis over de zware, georganiseerde misdaad. Ze wijst op de verschillende aantallen 'criminele groepen' die tot dusver door de Criminele Recherche Informatiedienst (CRI) naar buiten zijn gebracht. Het aantal van tweehonderd, dat aanvankelijk werd genoemd, werd een jaar later omhoog gebracht tot bijna zeshonderd en nu presenteert de CRI het aantal van 98 groepen.

Couzijn weet als weinig anderen op het openbaar ministerie waar de uitspraken van de CRI op zijn gebaseerd. Zes jaar geleden werd ze voorzitter van de werkgroep misdaadanalyse. 'Misdaadanalyse' is een manier om criminele informatie beter toegankelijk te maken voor Justitie. Zo kunnen door middel van schema's onder andere posities van personen in criminele organisaties beter worden weergegeven. Dit hulpmiddel is nog niet overal bij de politie in gebruik. Daarom worden volgens haar momenteel ten onrechte uitspraken gedaan over het 'criminaliteits-beeld' van de georganiseerde misdaad.

Couzijn: “Als de minister vraagt hoe erg het is gesteld met de zware, georganiseerde misdaad, moet het OM durven zeggen: 'We maken ons ook zorgen, maar we willen geen zekerheden verkopen waar ze er nog niet zijn. Het lijkt erop dat het OM gewoon de moed niet heeft om te zeggen: 'We zijn nog bezig informatie te verzamelen'.”

Ze vindt dat juist Nederland een extra verantwoordelijkheid heeft om “integer met criminele informatie” om te gaan, omdat Europol het Nederlandse model van misdaadanalyse heeft geaccepteerd. “Straks loop je, wanneer Europol in Den Haag is, weer het risico van de grote verhalen over hoe ernstig de georganiseerde misdaad is.”

Wat haar vooral dwarszit is het gebrek aan weerwoord van het OM. Dat geldt zowel de 'ronkende geluiden' over de dreiging van de georganiseerde misdaad als de pogingen van het ministerie om het openbaar ministerie voor oneigenlijke doelen te gebruiken.

“Omdat het ministerie van justitie geld tekort komt”, zo schrijft zij in het laatste nummer van 'Justitiële Verkenningen', “heeft het ministerie gevraagd aan het openbaar ministerie om een gat van enige tientallen miljoenen te helpen vullen door extra processen-verbaal te laten opmaken voor snelheidsovertredingen, hoewel er geen aanwijzingen zijn dat de verkeersveiligheid ernstig in de knel komt als de politie die niet zou opsporen. Als straks de burger voor de rechter komt omdat hij op de snelweg dertig kilometer te hard reed, ziet hij de officier van justitie niet als iemand die het recht handhaaft, maar als zakkenvuller”.

Couzijn: “Het valt me ook tegen dat de Tweede Kamer niet snapt dat deze poging van het OM om de begroting van Justitie aan te vullen aan de integriteit van het vervolgingsapparaat knabbelt. Zo gaan toch budgettaire overwegingen vóór de rechtshandhaving. Je hoort je rug recht te houden als de minister zegt dat je zijn begroting moet aanvullen. Je kan wachten op de advocaat die zegt: 'Meneer de officier, u beticht de advocatuur van het aannemen van criminele gelden, maar wat doet uzelf?”

Volgens haar is er wel commotie binnen het OM geweest over het voornemen van de minister, maar heeft niemand de moed gehad hiermee naar buiten te treden. “Het OM zit erbij en laat het gewoon gebeuren, er wordt geen tegengas gegeven. Het OM laat veel te makkelijk het hoofd hangen naar de waan van de dag. Je moet als OM-top een eigen visie hebben.”

Door het gebrek aan moed en daadkracht profileert het OM zich te weinig ten opzichte van de minister. “Je verliest niet alleen in eigen kring aan geloofwaardigheid, maar ook ten opzichte van de politie. Reken maar dat de politie-top ziet dat de OM-top valt als de minister iets zegt.”

    • Hans Moll