Zoutelande

De wind is afgenomen en het is vandaag bewolkt, met duistere accenten boven land en lichte boven zee.

We gaan nu lopend van Cadzand op Breskens aan. Een trage boog, een vaag gebied. Al zee of nog rivier. Van zee zou het een inham zijn, van een rivier de monding. Van zee de kust, van een rivier de oever. En uur na uur diezelfde vaagheid in onszelf.

Het strand is schoon. Er ligt geen rommel op, geen spoelselrand. Het zand is donker en vertoont de gloed van koperkleurig schelpengruis, dat hier en daar door wind en vloed in wonderlijke waaiers wordt gelegd.

Van Breskens varen we naar Vlissingen. De stad van toen, de boulevard van toen en het hotel van toen. We zien onszelf terug, de klungelaars van toen, in '66 ongeveer, nog ongetrouwd.

Van Vlissingen weer lopend in een trage boog steeds verder van de Scheldemonding weg. De duinen smal en steil, het pad eroverheen, omhoog, omlaag en weer omhoog. De hele Noordzee recht vooruit en aan je rechterhand het hele land van Walcheren: het vlakke van de aarde zelf, het wollige van bosjes die door de herfst totaal vergeeld of zelfs verokerd zijn, en het spitse van de torens op de horizon; hier staat een kerk, hier ligt een dorp.

Tot Zoutelande. Daar overnachten we. Kamer in, deur dicht, rugzakken af, schoenen uit. Iris zet een raampje open en ik vraag: “Hoor je de zee?” Zij zegt: “Ik hoor een bromfiets.”