Volkshuisvesting

STAATSSECRETARIS HEERMA heeft in de zeven jaar waarin hij zich nu over de volkshuisvesting heeft ontfermd aanzienlijk meer overheidsgelden besteed aan het aflossen van oude verplichtingen dan aan investeringen.

Dat gebeurde tegen wil en dank. In Nederland is tientallen jaren lang gebouwd op afbetaling, waarbij vooral in de jaren zeventig en begin jaren tachtig werd gekozen voor een systeem dat de lasten naar de toekomst schoof. Wat voor de rijksbegroting in haar geheel gold, was in het bijzonder op de volkshuisvesting van toepassing. Zelfs al werd er in een jaar geen huis gebouwd, dan nog stegen de kosten van de volkshuisvesting op de rijksbegroting.

Sinds de nota 'Volkshuisvesting in de Jaren Negentig' in april 1989 in haar definitieve vorm is verschenen, heeft Heerma consequent steeds weer een stuk afgebroken van de molensteen om zijn nek, zoals hij de subsidieverplichtingen uit het verleden ervoer. Nieuwe rijksleningen voor sociale woningbouw zijn daardoor onmogelijk geworden, het rijk staat voor de leningen op de kapitaalmarkt slechts op de achtergrond garant. Bovendien werd een redelijk stevig beleid van huurverhogingen (lees: subsidieverlagingen) gevoerd, zonder dat dit tot massaal oproer van huurders leidde.

DEZE HUURVERHOGINGEN - ook voor woningen die al 'afbetaald' waren - gecombineerd met de lage rente van de laatste jaren, hebben ervoor gezorgd dat driekwart van de woningbouwverenigingen er zeer behoorlijke financiële reserves op nahouden. Eerder dit jaar kondigde Heerma dan ook aan dat woningen in 1995 in principe zonder subsidie moeten kunnen worden gebouwd. Slechts waar de rijksoverheid de sociale woningbouw een bijzonder belang toekent, komen er (eenmalige) stimuleringspremies.

De grote uitruil van subsidies en aflossingen van leningen waarover Heerma vorige week een akkoord bereikte met de landelijke organisaties van de woningcorporaties, is het sluitstuk van een beleid dat er op gericht is van de volkshuisvesting een sector te maken die zichzelf kan bedruipen. De woningen van nu dienen een opbrengst te hebben die voldoende is om ze fatsoenlijk te onderhouden; de sociale verhuurders behoren inkomsten te hebben die hen in staat stellen voor nieuwe generaties woningzoekenden te investeren. De individuele huursubsidie blijft het vangnet voor de laagstbetaalden die de volledige huurprijs niet zelf kunnen opbrengen.

Bij de verzelfstandiging van de sociale huursector zijn vraagtekens te plaatsen. Woningbouwverenigingen mogen straks delen van hun bezit, grotendeels opgebouwd met maatschappelijk kapitaal, verkopen zonder dat de zekerheid bestaat dat ze de opbrengst nuttig voor de volkshuisvesting besteden. Het opnieuw stijgende woningtekort laat zien dat de decentralisatie van het beleid naar gemeenten en de verzelfstandiging van de sector geen garanties zijn voor een soepeler werking van de markt. Ook de bouwsector, jarenlang leunend op de investeringsbereidheid van de centrale overheid, zal aan zijn nieuwe rol moeten wennen.

DE GRONDWETTELIJKE taak van de regering iedere inwoner van woonruimte te voorzien, betekent dat er altijd een rol voor het kabinet en het parlement zal zijn weggelegd in de volkshuisvesting. Dat die rol afstandelijker wordt, laat zich raden. Wie geen subsidie verstrekt, heeft minder te zeggen. De aandacht zal verschuiven, bijvoorbeeld naar het probleem van de asielzoekers. Voor het overige zal het de werking van vraag en aanbod zijn die een door plaatselijke omstandigheden bepaalde beleidsreactie vergt. En zo hoort het ook.