Vervuilers verschuilen zich achter laksheid

Het belangrijkste onderdeel van de Inbouwwet bodemsanering in de Wet bodembescherming is inderdaad het provinciale saneringsbevel en niet het verhaal van saneringskosten. Dat zag J. Faro, die hierover schreef in de krant van 22 oktober, beter dan veel rechtswetenschappers. Faro stelt het saneringsbevel voor als een wapen voor tirannieke provincies om (onschuldige) grondeigenaren onverhoeds mee te bestoken, en onder dreiging van hoge dwangsommen tot sanering van vervuilde bodem te dwingen. In werkelijkheid gaat het om een genuanceerd wettelijk systeem van prioriteitstellingen, gefaseerde programma's, overlegrondes, instrumenten van opklimmende zwaarte en mogelijkheden om de rechter te vragen de gekozen aanpak te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het legitieme uitgangspunt is dat vervuiler of grondeigenaar verantwoordelijk is voor de sanering van vervuilde bodem; de provincie heeft een sturende taak, om te verzekeren dat vrijwilligheid en eigen verantwoordelijkheid niet sneuvelen in vrijblijvendheid.

Men dient dan ook niet te spreken van schuld of onschuld, maar van verantwoordelijkheid van de eigenaar voor de schade die zijn ernstig vervuilde grond kan opleveren aan de volksgezondheid en het milieu. De cruciale vraag is voor wiens rekening en risico de vervuiling van de bodem komt - net als bij de risico-aansprakelijkheid voor opstallen die in het Burgerlijk Wetboek te vinden is. De, voldoende waarborgen biedende, verweren die de eigenaar heeft (hij veroorzaakte de vervuiling niet, kon er niets van weten en had geen duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker ten tijde van de vervuiling) introduceren dan ook niet weer een schuldelement in het saneringsbevel, als wel een mogelijkheid om het risico te verschuiven.

Dat hadden de leden van de Tweede Kamer, die, tijdens de gedegen schriftelijke voorbereiding van de wet, aanscherping en verruiming van de verweren tegen een saneringsbevel bereikten, wel begrepen. Men mag natuurlijk vinden dat een groter deel van de saneringskosten voor rekening van de overheid moet komen, maar dan dient men aan te geven waar de budgettaire ruimte hiervoor is.

Bij het saneringskostenverhaal ligt dat iets anders, omdat men daar wel rekening moet houden met schuld en onrechtmatige daad. Toch mag er wel wat minder medelijden betoond worden met 'onschuldige' veroorzakers, dat wil zeggen vervuilers die niet wisten dat hun vuil en gif uiteindelijk opgeruimd zou moeten worden vanwege gevaar voor de volksgezondheid en het milieu. Hoe onschuldig is een bedrijf dat veel geld stopt in onderzoek, ontwikkeling, produktie en marketing, maar zich niet stelselmatig afvraagt welk gevaar dat alles oplevert voor het miliieu? En is 1 januari 1975 werkelijk de dag waarop vervuilend Nederland zijn onschuld verloor, omdat vanaf dat moment de overheid geacht wordt zich de bodemsanering aan te trekken? Te veel lijkt het erop dat vervuilers zich verschuilen achter laksheid om hun verantwoordelijkheid ten opzichte van het milieu waar te maken, en de overheid impliciet verwijten hen niet eerder op hun plichtsverzuim gewezen te hebben. Dat de Eerste Kamer een dergelijke huichelachtige onschuld steunt, geeft te denken.

    • J.M. Verschuuren
    • N.A. Florijn