Uitspraak De Bruin binnen veertien dagen

UTRECHT, 2 NOV. De tuchtcommissie van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU) doet uiterlijk over twee weken uitspraak in de dopingzaak van Erik de Bruin. De tuchtcommissie onder voorzitterschap van Mr. Jan Gerrits hield zich gisteren in Utrecht ruim zeseneenhalf uur bezig met de zaak van de atleet, die op 1 augustus na atletiekwedstrijden in Keulen positief reageerde bij een dopingcontrole.

Omdat De Bruin ook bij de contra-expertise positief werd bevonden, werd hem een dag voor de wedstrijd door de Internationale Amateur Atletiek Federatie (IAAF) verboden deel te nemen aan de strijd om de wereldtitels in Stuttgart. Op last van de IAAF moest de KNAU De Bruin een voorlopige schorsing opleggen. Reglementair diende de atleet daarna binnen drie maanden door de tuchtcommissie van de atletiekunie te worden gehoord.

Tijdens de hoorzitting in Utrecht ondervroeg de tuchtcommissie vier getuigen: KNAU-penningmeester Hans van Hassel, Mr. Fred Kollen, de juridisch adviseur van de unie, alsmede de farmacologen professor Van Rossum en dr. De Boer. Erik de Bruin verklaarde na afloop optimistisch te zijn over de afloop. Dat optimisme werd gedeeld door zijn verdediger Mr. Wilfred Veldstra, die zich vol lof uitsprak over de zorgvuldige wijze waarop de tuchtcommissie zich over de zaak had gebogen. “Men houdt duidelijk rekening met de belangen van De Bruin”, aldus de Rotterdamse advocaat. Mr. Veldstra vertelde dat zijn pleidooi in de besloten zitting, gestoeld was op twee uitgangspunten. “In eerste instantie op het feit dat er geen goede regelgeving bestaat. De KNAU beschikt nog niet over een dopingreglement, al is daar in 1968 al eens door het Unieraadslid Grewer op aangedrongen. Verder heb ik de zaak aangevochten op basis van de gebruikte techniek d.w.z op laboratorium technische en juridisch technische gronden.”

Veldstra bevestigde nog eens de mening van professor Van Rossum, die ook buiten de zittingszaal verklaarde dat De Bruin positief bevonden is op grond van gegevens, die niet geheel betrouwbaar zijn. Professor Van Rossum: “De verhouding van testosteron/epitestosteron van 1:6,85, die bij De Bruin werd aangetroffen, ligt duidelijk in het grijze gebied. Nader onderzoek is volgens mij noodzakelijk. Ik zou daar ook voor heben gepleit,” aldus Van Rossum. Hij had geen aanmerkingen op de wijze waarop professor Donike in zijn Keulse laboratorium de controle heeft uitgevoerd.