Ook D66 kan de staat niet hervormen

Fractieleider Van Mierlo van D66 heeft het afgelopen weekeinde zijn verlies reeds genomen. Zijn hernieuwde poging om te komen tot staatkundige hervorming van Nederland is mislukt. Aan de hoeveelheid papier die er aan het onderwerp is gespendeerd, heeft het niet gelegen. Niet minder dan zes rapporten, allemaal geschreven op verzoek van de Tweede Kamer, zijn dit jaar verschenen. Vanaf morgen zal de Kamer er vier weken lang over debatteren. Maar de uitslag staat reeds in grote lijnen vast: er zal nauwelijks iets veranderen. Of, om in de terminologie van Van Mierlo te blijven, die afgelopen zaterdag het congres van zijn partij toesprak: “Het is niet uitgesloten dat de berg een muis gaat baren, zo er al überhaupt gebaard wordt”.

De sceptici hebben dus gelijk gekregen. Het zijn degenen die nu al weer bijna vier jaar geleden enigszins vermoeid constateerden dat de toen ingestelde bijzondere commissie uit de Tweede Kamer die zich zou gaan bezighouden met staatkundige en bestuurlijke vernieuwing, in feite niet meer was dan een zoethoudertje voor D66-fractievoorzitter Van Mierlo. Hij was bij de formatie van 1989 met zijn partij buiten het kabinet gehouden, en verdiende een troostprijs. Het werd de door hem zelf tijdens de verkiezingscampagne gesuggereerde bijzondere commissie van fractieleiders die onder leiding van Tweede Kamervoorzitter Deetman aan het werk ging. Staatkundige vernieuwing, dat hoofdstuk hebben we inmiddels toch wel afgesloten, verzuchtten de critici. In de eerste rapportage van de commissie Deetman die in november 1990 verscheen, werden zij van repliek gediend: “Als deze nota dus tevens een verkenning is van wat in het verleden politiek onmogelijk is gebleken, dan is daarmee nog geen uitspraak gedaan over de mogelijkheden in een andere maatschappelijke en bestuurlijke context.”

Die mogelijkheden zijn uiterst beperkt, kan nu wel worden geconcludeerd. Aanvankelijk stonden twee thema's centraal: de relatie tussen de kiezers en de overheid, en de relatie tussen kiezers en gekozenen. Naarmate de discussie vorderde nam de bezorgde aandacht voor de kiezer af. In wezen is het debat verengd tot de zoveelste reorganisatiepoging van de rijksoverheid. Het zal gaan over zaken als kerndepartementen, departementale herindeling, decentralisatie, en ministeriële verantwoordelijkheid. Allemaal interessant en zelfs nog belangrijk ook. Maar het heeft nauwelijks nog iets te maken met de verstoorde verhouding tussen de kiezer en zijn mandatarissen. Waar het ook zou moeten gaan over de legitimiteit van het bestuur, heeft de meerderheid van de politiek het probleem teruggebracht tot de effectiviteit van het bestuur. Er is met andere woorden een intern Haagse bureaucratische kwestie van gemaakt.

Die beperkte aanpak is een direct gevolg van de beoordeling van de situatie. Wie erkent dat er sprake is van groeiende afstand tussen Den Haag en de 'rest van het land' is bereid tot verdergaande stappen. Daartegenover staan degenen die beweren dat er niets aan de hand is behalve dan, zoals de Leidse hoogleraar J.Th. van den Berg stelt, dat “kritiek en wantrouwen vaste begeleidingsverschijnselen van de democratie zijn”. Van den Berg en veel van zijn collega's uit Leiden beschouwen de 'kloof' vooral als een gezocht probleem waarmee kolommen in kranten en tijdschriften gevuld worden. Met instemming citeren zij Abraham Kuyper die reeds zei dat “de teleurstelling in het parlementaire stelsel is ingevleescht'.

De meerderheid van de commissie De Koning die zich in het kader van de Deetman-discussie heeft beziggehouden met onder andere het kiessstelsel en de kabinetsformatie, nam deze analyse gretig over. Er is, als het om verkiezingen voor de Tweede Kamer gaat, nog niets mis met de opkomst. Het stemgedrag vertoont over het algemeen geen pregnante voorkeur voor extremisme en de Nederlandse burger, zo heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau vastgesteld, is in Europees perspectief bezien nogal tevreden over het functioneren van de eigen democratie. Zo bezien is er inderdaad niets aan de hand.

Maar een dergelijke benadering is wel uitermate beperkt. Want is het feit dat men gaat stemmen een uiting van tevredenheid of van plichtsbesef? De 'Leidse doctrine' houdt voorts geen rekening met een niet in cijfers uit te drukken maar daarom wel bedreigend verschijnsel als onverschilligheid. Paul Scheffer gaf gisteren in zijn column enkele sprekende voorbeelden van de elite die zich afkeert van de politiek. De mensen die zich gemeld hebben voor een verkiesbare plaats op een kandidatenlijst (landelijk of lokaal) zou de partijen te denken moeten geven. Hun aantal is gering en de maatschappelijke achtergrond blijft eenzijdig. De politieke partijen lopen leeg, maar met de geruststellende constatering dat in een tijd van individualisering de massapartij heeft afgedaan, doet men er verder het zwijgen toe. De kiezer gaat nergens anders naar toe, maar de kiezer kan in deze monopolie-situatie ook nergens anders naar toe.

Tot nu toe is uit het nieuwe debat over staatkundige en bestuurlijke vernieuwing vooral een in meerderheid met zichzelf tevreden politieke kaste naar voren gekomen. De zelftwijfel die uit de eerste stukken viel te destilleren, toen gesproken werd over een legitimiteits -en kwaliteitscrisis heeft plaatsgemaakt voor zelfgenoegzaamheid. Als er maar beter gereedschap komt, anders gezegd als de bureaucratie maar wordt gestroomlijnd, kan de politiek weer jaren vooruit. Vernieuwen? We lossen het zelf wel op.

Het filosoferen over de kloof blijft intussen iets voor buitenstaanders. Daarbij is het de vraag of nog wel gesproken kan worden van een kloof. Dat beeld suggereert een statische situatie. Veel meer lijkt het erop dat kiezers en gekozenen nogal eens met de ruggen tegen elkaar staan, om vervolgens elk een eigen richting op te wandelen. Niet voor niets verschijnt er tegenwoordig geen wetsvoorstel meer zonder een passage over de 'handhavingsproblematiek'. Het zou te denken moeten geven.

Een democratie moet elke dag opnieuw het verworven gezag verdienen. Dat vereist uiterste alertheid en een dagelijkse blik in de spiegel. Het huidige stilzwijgen van de kiezers kan natuurlijk worden uitgelegd als tevredenheid, maar eveneens als apathie. Erkenning van dat laatste zou betekenen dat de gekozenen ook hun eigen functioneren ter discussie zouden moeten stellen. Zoals de geschiedenis van het debat over staatkundige vernieuwing heeft bewezen is dat nu juist te veel gevraagd.