Kamer praat vier weken lang over zichzelf

DEN HAAG, 2 NOV. De Tweede Kamer spreekt vanaf morgen vier weken lang over zichzelf. Als een soort pauzenummer bij de diverse begrotingsbehandelingen komen talloze onderwerpen aan de orde die te maken hebben met het begrip staatkundige en bestuurlijke vernieuwing. Het debat hierover dat begon bij het aantreden van het huidige kabinet wordt zodoende nog net binnen de zittingstermijn afgerond. Niet dat het een echte kabinetszaak is, want de inspirator achter het geheel is D66-leider Van Mierlo. Hij was het die in 1989 aan het eind van de verkiezingscampagne met het voorstel kwam om een uit de fractievoorzitters van de grote partijen bestaande studiecommissie in te stellen. De vruchten van dat studiewerk, dat voor een belangrijk deel werd uitbesteed aan subcommissies, staan ter discussie. De eerste week van december zal tijdens de afrondende sessie uiteindelijk blijken wat het 'vernieuwingsdebat' heeft opgeleverd.

Spectaculaire veranderingen van de parlementaire democratie hoeven niet te worden verwacht. Er komt geen gekozen minister-president, geen districtenstelsel, geen gekozen burgemeester en geen referendum. In die zin worden het sombere weken voor D66-leider Van Mierlo. Zijn analyse dat er sprake is van een zodanige legitimiteitscrisis dat dergelijke wijzigingen nodig zijn, wordt nog steeds niet door een Kamermeerderheid gedeeld. De voorstellen zullen wel aan de orde komen, maar alleen om vast te stellen dat ze onhaalbaar zijn.

De algemene verwachting is dat het debat over staatkundige en bestuurlijke vernieuwing een nogal 'intern' karakter zal krijgen. Er zal vooral worden gesproken over doelmatig bestuur. Het meest opzienbarende rapport daarover verscheen begin dit jaar en is in juni al door de Tweede Kamer behandeld. Daarin werd voorgesteld alle 120 adviesorganen van de overheid met uitzondering van de Raad van State en de Sociaal Economische Raad op te heffen. Ze zouden moeten worden vervangen door één adviesraad per departement. De commissie die onder leiding stond van het CDA Tweede Kamerlid De Jong heeft de de collega's niet voor dat idee weten te winnen. Een meerderheid van de Kamer sprak uit de reductie te willen beperken tot één adviesraad per beleidsterrein. Waarbij beleidsterrein een breed begrip is.

Deze week gaat het in de Tweede Kamer over de organisatie van de rijksoverheid. Discussiemateriaal daarover is aangedragen door een commissie onder leiding van de Friese commissaris der koningin H. Wiegel. De kern van het verhaal van de commissie Wiegel is dat niet langer moet worden gesproken over minder departementen. De gewenste reorganisatie moet in de bestaande ministeries zelf tot stand worden gebracht. Dat zou kunnen door de departementen om te bouwen tot kerndepartementen, waarbij een strikt onderscheid wordt aangebracht tussen het beleidsmakende deel en de uitvoerende diensten. Die laatste taak zou zich in veel gevallen goed lenen voor verzelfstandiging of privatisering. Politiek interessant is dat het CDA, de grootste regeringspartij, de conclusies van de commissie Wiegel niet deelt. Het CDA blijft streven naar een kleiner aantal departementen. Aangezien een andere departementale indeling altijd een zaak is waartoe tijdens kabinetsformaties wordt besloten ligt het voor de hand dat het debat van deze week niet meer dan oriënterend zal zijn. De bestuurskundige Brinkman die straks voor het CDA de formatiebesprekingen gaat voeren, zal zich dit instrument voor 'daadkracht' zeker niet op voorhand al laten afnemen.

In het kader van de bestuurlijke vernieuwing zal de Tweede Kamer deze week eveneens spreken over de bevoegdheden van de minister-president. Is hij 'slechts' voorzitter van de raad van ministers of brengt de functie ook extra bevoegdheden met zich mee? In alle ontwerp-verkiezingsprogramma's van de grote partijen is uitgesproken dat de formele macht van de minister-president moet worden vergroot. In zekere zin betekent het dat de theorie wordt aangepast aan de praktijk. De coördinerende rol van de minister-president in het nationale beleid is veel groter geworden. In Europees verband, tijdens bijeenkomsten van de regeringsleiders heeft een premier - wil hij althans mee kunnen onderhandelen - enige eigen beleidsvrijheid nodig. Het debat hierover wordt sinds het vertrek van Van den Broek naar Brussel op een veel meer ontspannen wijze gevoerd. De vraag is slechts of een minister-president met meer bevoegdheden niet apart moet worden gekozen. Tijdens het debat over het kiesstelsel dat over twee weken in de Tweede Kamer wordt gehouden zal echter blijken dat voor dit ideaalbeeld van D66 geen meerderheid bestaat.

Daarom wordt het afrondende debat in december over de vier jaar geleden in gang gezette vernieuwingsoperatie politiek interessant. Dan komt de vraag aan de orde wat al het werk nu per saldo heeft opgeleverd. Op het bestuurlijke vlak zullen enkele resultaten zijn te melden maar op het terrein van staatkundige vernieuwing zal de oogst mager zijn. En vormde de wijziging van het systeem niet het bestaansrecht van D66? De andere partijen zullen zo vlak voor de verkiezingen niet nalaten D66 daaraan op dat moment te herinneren.