Industriefonds van start met 900 mln gulden

DEN HAAG, 2 NOV. Het nieuwe Industriefonds heeft bijna 900 miljoen gulden beschikbaar voor het verlenen van risicodragende financieringen aan Nederlandse bedrijven.

Dit bleek gisteren bij de ondertekening van de overeenkomst tussen minister Andriessen (economische zaken) en een aantal particuliere financiële instellingen. Andriessen kondigde begin dit jaar officieel de komst van een 'financieringsfaciliteit' voor de industrie aan, waarvoor zijn ministerie 200 miljoen gulden beschikbaar stelde. Tot de andere deelnemers behoren vier banken, acht verzekeringsmaatschappijen en 14 pensioenfondsen. Eerder hoopte Andriessen dat het fonds in mei van dit jaar zou kunnen beginnen, maar de onderhandelingen met de andere participanten bleken meer tijd te vergen.

In een brief aan het parlement heeft de minister gisteren laten weten de industriefaciliteit nodig te vinden omdat er voor middelgrote en grote ondernemingen te weinig mogelijkheden zijn om te voorzien in hun behoefte aan risicodragend kapitaal met een (middel)lange looptijd.

Een financiering via het nieuwe fonds zal in principe ten minste tien miljoenen ten hoogste vijftig miljoen gulden bedragen. Het gaat hierbij om aandelen, achtergestelde leningen en andere vormen van risicodragend vermogen. Een speciale faciliteitencommissie beslist over de aanvragen. Daarin zitten vijf leden, aangewezen door Economische Zaken, de banken, de verzekeringsmaatschappijen, de pensioenfondsen en door de Nationale Investeringsbank (NIB) die tevens zal optreden als agent. De beslissingen van de commissie moeten unaniem worden genomen; elk lid heeft een vetorecht. Bij de NIB hebben zich inmiddels drie bedrijven gemeld.

Om voor een financiering in aanmerking te komen, moeten de ondernemingen “van aanmerkelijke betekenis” zijn voor de economische structuur, een “aantoonbare behoefte” hebben aan meer risicodragend vermogen en “aannemelijk” maken dat ze daarvoor buiten het fonds te weinig mogelijkheden hebben.

Ondernemingen in het bank- of verzekeringswezen, beleggingsmaatschappijen, onroerend-goedmaatschappijen en soortgelijke instellingen zijn van de financieringsfaciliteit uitgesloten. Uiterlijk 1 mei 1995 wordt bekeken of het Industriefonds goed werkt en in 1996 valt de beslissing of het moet worden voortgezet.