Belastingillusies

In het midden van de jaren vijftig roomde de fiscus een kwart van het nationale inkomen af. De sociale lasten besloegen destijds nog eens vijf procent van ons gezamenlijke inkomen. De toen in Nederland bestaande collectieve-lastendruk was vergelijkbaar met die in de Verenigde Staten (28 procent) en lag duidelijk lager dan die in West-Duitsland en Frankrijk (35 procent). In 1957 werd met de Algemene ouderdomswet de eerste volksverzekering van kracht. Daarmee was de hoeksteen gelegd voor het gebouw van de sociale zekerheid, dat nadien in amper twintig jaren werd voltooid. De groep rechthebbenden werd sterk uitgebreid. De uitkeringen gingen fors omhoog, ook ten opzichte van de cao-lonen. Om de sterk stijgende uitgaven voor door de overheid georganiseerde overdrachten te kunnen financieren, liep de sociale-premiedruk op tot ongeveer twintig procent van het nationaal inkomen. Ook het belastingpeil steeg, maar in veel geringere mate. Al vanaf het eind van de jaren zeventig wordt vanuit de collectieve sector door middel van premies en belastingen beslag gelegd op ongeveer de helft van het nationaal inkomen (ni). Dit jaar ligt het belasting- en premiepeil zelfs op 53 procent ni.

Binnen een kwart eeuw steeg het collectieve-lastenpeil dus van dertig tot vijftig procent van het nationaal inkomen. Achteraf wekt het nog steeds verbazing dat de belasting- en premiebetalers van Nederland de sterk oplopende lastendruk zonder veel morren hebben geaccepteerd. Optimisten menen dat de bevolking, uit solidariteit met de uitkeringsontvangers, graag bereid was de eigen koopkrachtaanspraken te matigen. Van meer werkelijkheidszin getuigt een andere analyse: de lasten van de verzorgingsstaat zijn massaal afgewenteld. De invoering van de AOW ging bijvoorbeeld gepaard met een extra loonronde, die ervoor zorgde dat de AOW-premie niet ten koste van de koopkracht ging. Ook in latere jaren zijn de almaar stijgende sociale lasten voor een deel afgeschoven, doordat economisch actieven aanvullende inkomenseisen beloond zagen. In de jaren zestig en zeventig ging de financiering van de uitkeringen hierdoor voor een deel ten laste van de winsten en andere kapitaalinkomens. Bedrijven beschikten op den duur over minder middelen om te investeren in uitbreiding van hun produktiecapaciteit. Omdat de premielast vrijwel uitsluitend op de factor arbeid drukt, waren investeringen er bovendien op gericht werknemers zoveel mogelijk overbodig te maken. Volgens deze gedachtengang betaalt Nederland thans een zeer hoge prijs voor de sociale zekerheid, in de vorm van massale inactiviteit. Het aantal werklozen en arbeidsongeschikten samen beloopt dit jaar bijna twee miljoen personen.

Afwenteling van collectieve lasten heeft de pijn van sterk stijgende collectieve lasten voor velen verdoofd. Inmiddels beseft het gros van de belasting- en premiebetalers bovendien nauwelijks meer hoe groot de persoonlijke bijdrage aan de financiering van overheidsuitgaven en sociale uitkeringen is. De collectieve heffingen zijn verdonkeremaand. Nederland koestert daardoor een collectieve belastingillusie. Het gevolg is dat bijna iedereen de kosten van de verzorgingsstaat onderschat. Dat mensen er nauwelijks weet van hebben hoeveel zij bijdragen aan het vullen van de schatkist en de sociale fondsen heeft diverse oorzaken.

Belastingillusies worden onder meer in de hand gewerkt door voorheffingen, zoals de loonbelasting. Deze voorheffing wordt direct ingehouden bij de uitbetaling van het salaris en kan later worden verrekend met de op aanslag verschuldigde inkomstenbelasting. Ingehouden heffingen doen minder pijn dan op aanslag te betalen heffingen. Ook vrijwel alle sociale premies worden door inhouding op het loon geheven. Belastingillusies worden versterkt, doordat werkgevers een deel van de premielasten rechtstreeks voor hun rekening nemen. Dit loonbestanddeel is zelfs niet begrepen in de jaaropgaaf van het brutoloon. Werknemers hebben er geen benul van. Kostprijsverhogende belastingen, zoals omzetbelasting en accijnzen, zijn vaak verstopt in de prijzen. Wanneer deze heffingen niet afzonderlijk op de rekening of kassabon worden vermeld, bevordert dat eveneens het ontstaan van belastingillusies. In de Verenigde Staten zijn middenstanders verplicht de 'sales tax' afzondelijk op de nota te vermelden. Zo doende weten de klanten hoeveel zij aan de kassa voor collectieve voorzieningen betalen. In Nederland tasten de consumenten wat dit betreft grotendeels in het duister.

De rijksbelastingen brengen volgend jaar in totaal 146 miljard gulden op. Slechts 18 miljard daarvan wordt zo geheven dat de burger inzicht heeft in wat hij betaalt (bijvoorbeeld aanslag inkomstenbelasting, aangifte voor de motorrijtuigenbelasting). De sociale premies (geschatte opbrengst 123 miljard) worden nagenoeg geheel als voorheffing ingehouden, danwel rechtstreeks door de werkgevers voldaan.

Achteraf bezien is de snelle opbouw van de verzorgingsstaat mede mogelijk geweest, doordat belasting- en premiebetalers de ware prijs van tot stand gebrachte collectieve voorzieningen nooit hebben beseft. Collectieve lasten zijn deels afgewenteld op andere deelnemers aan het economisch verkeer. Belangrijker is het dat inmiddels 95 procent van de belastingen en sociale premies niet via aanslagen wordt geheven, maar in de vorm van voorheffingen, werkgeverslasten en kostprijsverhogende belastingen. De vermeende solidariteit in Nederland berust voor een flink deel op belastingillusies.

    • Flip de Kam