Albanie; Democratie in het gedrang

In Albanië lijkt de democratie in het gedrang te komen: de economische crisis, het ongeduld van zowel de burgers als de politici en vooral de felle en niet aflatende politieke polarisatie lijken stukje bij beetje een eind te maken aan een democratisch experiment, nog voordat het werkelijk een kans heeft gekregen.

Albanië is al sinds de zomer van dit jaar verwikkeld in een politieke crisis over de nieuwe grondwet. Die crisis, waarbij de artikelen over de macht en de bevoegdheden van de president het heetste hangijzer vormen, gaat gepaard met heftige verwijten tussen de regerende Democratische Partij en de oppositionele (ex-communistische) socialisten. Die laatsten worden daarbij regelmatig bijgevallen door de partij van de Griekse minderheid en zelfs door de sociaal-democraten, een coalitiepartner van de Democratische Partij.

Die ruzie - die gepaard gaat met een boycot van het parlementaire werk door de oppositie - bepaalt de sfeer in de Albanese samenleving. De Democratische Partij werd in de nadagen van het communisme opgericht als een soort vergaarbekken van allen die om welke reden dan ook tegen het stenen-tijdperk-communisme van Enver Hoxha en zijn opvolger Ramiz Alia waren. Sinds de val van dat socialisme heeft de partij echter weinig gedaan om zich een nieuw en duidelijker profiel te verschaffen: de afkeer van het communisme is nog altijd de raison d'être van de regeringspartij. En dat begint zich te wreken nu er geen communisme meer af te schaffen valt en het binnen de partij flink gaat rommelen over de te volgen koers. Dat leidt tot een tegenreactie van de leiding, die, om de heilige eenheid te bewaren, naarstig op zoek is gegaan naar vermeende restanten van het communisme.

Het bewind is aan een grote wraakactie begonnen tegen diegenen die een prominente rol hebben gespeeld in het vroegere regime. Inmiddels zitten alle nog levende leden van het vroegere politburo, inclusief de hervormers van de late jaren tachtig en de leiders die uiteindelijk de macht aan de Democraten hebben overgedragen, achter slot en grendel. In oktober kregen ze gezelschap van de laatste leider van de Sigurimi, de geheime dienst van het vroegere regime, Zylyftar Ramizi, en de laatste procureur-generaal van het vorige bewind, Rrapi Mino. Bovendien werden twee post-socialistische overgangspremiers gearresteerd, van wie er een, Vilson Ahmeti, inmiddels wegens financiële malversaties is veroordeeld, en van wie de tweede, Fatos Nano, zich nog voor soortgelijke daden moet verantwoorden. En vooral de arrestatie van Fatos Nano is een bron van commotie, want Fatos Nano is de leider van de socialistische partij.

Voor de Democratische Partij blijft ook in het alledaagse politieke debat het communisme een norm. Wie het in dat debat niet met de Democratische Partij eens is is al gauw een crypto-, neo- of gewone communist. In de huisorganen van de Democratische Partij worden de laatste tijd zelfs buitenlandse media die vroeger als voorbeelden van journalistiek en democratisch fatsoen werden bejubeld en geciteerd, zoals de BBC, hard aangevallen wanneer ze het wagen kritisch te berichten over controversiële onderwerpen als de arrestatie van Fatos Nano en de procedurele fouten die volgens Nano bij zijn detentie zijn gemaakt.

Een voorbeeld van de manier waarmee in Albanië de grenzen van de nieuwe democratie worden bepaald is de recente perswet, die president Berisha ondanks heftige kritiek vanuit de media ondertekende met het lakonieke argument dat “de wet wordt gesteund door een grote meerderheid van het volk”. Een opiniepeiling van Gallup, aldus Berisha, heeft immers aangetoond dat 75 tot 80 procent van de Albanezen niet meer gelooft wat er in de krant staat.

De wet bepaalt onder andere dat staatsinstellingen de pers informatie kunnen weigeren als die geheim is of als vrijgave ervan openbare of particuliere belangen of de openbare orde schendt. Kranten kunnen in beslag worden genomen als ze met hun publikaties “de vrede in gevaar brengen, uitlokken tot verraad, de staatsveiligheid in gevaar brengen of de moraal van de jeugd ondermijnen”. De journalist die staatsgeheimen in de krant zet riskeert een boete van 8.000 dollar, een astronomisch bedrag in Albanië, waar journalisten gemiddeld per maand veertig dollar verdienen.

Uit protest tegen de vaagheid van deze formuleringen verschenen eind vorige maand diverse kranten met blanco pagina's en werd het werk bij een aantal bladen, zoals Zëri i Popullit, het orgaan van de socialisten en vroeger het blad van de communistische partij, zelfs geheel stilgelegd. En dat was tegen het zere been van de president, want die kranten, zo stelde hij, oefenen “een psychologische terreur op mensen uit”. “Zëri i Popullit prees in het verleden de dictatuur de hemel in en schiep de mythe en cultus van het permanente succes, terwijl de krant nu alles hekelt. Er zijn heel wat linkse bladen die niets hebben geschreven over de successen die de afgelopen achttien maanden zijn geboekt”, zo stelde de president in een reactie die enige twijfel wekt over de vraag hoe de nieuwe perswet zal worden toegepast.

    • Peter Michielsen