ADRIAAN VENEMA 1941-1993; Uitdagend fanaticus

Zijn eigen dood door eigen toedoen, op ongeveer dit tijdstip, had hij al meer dan een jaar geleden aangekondigd. Met het in kleine kring rondgebazuinde voornemen bevestigde Adriaan Venema zijn reputatie als fantastische uitdager, met het voegen van de daad bij het woord, eergisternacht, toonde hij voor de laatste keer de onverzettelijke fanaticus die hij zijn leven lang met zich meevoerde.

Het woord onwaarschijnlijk is misschien nog het meest van toepassing op het leven en werk van deze journalist, schrijver, kunsthandelaar, literatuur-historicus en ego-regisseur. Onwaarschijnlijk was zijn werkkracht. Als journalistiek medewerker van het Algemeen Handelsblad was zijn produktie zo groot dat de eindredactie hem tot matiging moest manen omdat één Venema-stuk per dag het maximum werd geacht.

Toen hij in 1969 debuteerde met de roman Van een bloedrode manchet en een kooikershondje, voltooide hij in razend tempo twee andere boeken, omdat hij vond dat de vaart er nu in moest blijven. Desondanks mislukte zijn opmars als romancier, maar dat deerde hem niet - onwaarschijnlijke veerkracht - en hij ging zich wijden aan het schrijven van een reeks monografieën van min of meer vergeten kunstenaars uit de eerste decennia van de twintigste eeuw, voor wie hij een fijne neus had onwikkeld.

Vooral Noord-Holland was aanvankelijk het gebied waar zijn belangstelling naar uitging, want hij was geboren in Heiloo en zijn moeder was dienstmeisje geweest bij Charley Toorop. In hoog tempo verschenen boeken over De Amsterdamse Joffers, De Bergense School, De Ploeg, De Ballingen, Rik Wouters c.s. om er maar een paar te noemen. Venema betoonde zich met deze lijvige werken een buitengewoon nijvere archiefvorser, maar een minder begenadigd stilist, zoals hem links en rechts werd aangewreven.

Maar de kritiek deerde hem niet. Hij ging nog verder: hij had de grootheid toe te geven dat hij te ongeduldig was om teksten eindeloos bij te slijpen en fijn te schuren. Hij gaf er de voorkeur aan in snel tempo met zijn boeken de onbekende, modern-klassieke periode van de kunstgeschiedenis te ontsluiten, in plaats van literair verantwoorde biografieën te schrijven. En het moet gezegd: als hij er niet was geweest, zou dit onuitputtelijke, kunsthistorische tijdvak nog steeds niet zo feitelijk zijn gedocumenteerd.

Vanzelfsprekend bracht zijn monografische arbeid hem ook fysiek in aanraking met de minder bekende schilderkunst uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. Hij staakte zijn tentoonstellingsrecensies in de krant en werd kunsthandelaar in Amsterdam en Parijs.

Toen hem dat verveelde, of waarschijnlijker is dat de kunsthandel hem zo makkelijk afging dat hij een nieuwe uitdaging zocht, begon hij met zijn persoonlijke versie van Collaboratie en Verzet in de Tweede Wereldoorlog, maar dan vooral de collaboratie in de kunst en de literatuur.

Het eerste deel verscheen in 1986 bij de Arbeiderspers, Kunsthandel in Nederland, 1940-1945, een onthullend boek dat mogelijk de dood veroorzaakte van kunstenaar Cees Bantzinger. Vóór publikatie van het boek pleegde deze zelfmoord, nadat Venema hem op de hoogte had gebracht dat hierin Bantzingers NSB-verleden uit de doeken zou worden gedaan.

Daarna volgden vier delen Schrijvers, uitgevers & hun collaboratie waarin ook weer een aantal gerespecteerde kunstenaars op Venema's kenmerkende obsessieve wijze met een onzuiver, onverschillig, net zuiver of bij nader inzien helemaal zuiver oorlogsverleden werd geconfronteerd.

Na vier boekdelen, die hem het odium gaven van een inquisiteur na sluitingstijd, en spervuren van reacties, polemieken, bedreigingen en een aftuiging was het genoeg. Behalve zijn eigen boeken, ongeveer veertig in getal, verkocht hij zijn bibliotheek aan De Slegte. Hij sloot zijn kunsthandel en vertelde aan veel intimi, dat hij nog ongegeneerd van het leven wilde genieten voordat hij er in oktober 1993 een punt achter zou zetten. Dat heeft hij gedaan.