Zo burlesk, zo ironisch; ROMA

NRC Handelsblad vroeg Theo van Gogh, Willem Breuker, Marlene Dumas, Fons Rademakers, Willem Jan Otten en Joyce Roodnat naar hun eerste ervaringen met een Fellini-film. Fons Rademakers en Willem Breuker gaven die telefonisch door, de anderen schreven erover.

Mijn eerste Fellini: Roma, in '71 of '72. Dit wil zeggen dat mijn allereerste kennismaking de overrompelende sequentie was waarin per auto geprobeerd wordt Rome binnen te rijden - en uiteraard herinner ik me de sequentie als één onafgebroken blik op een reeks 'toevallig' plaatsgrijpende taferelen. Ik begreep dat het allemaal geënsceneerd was, maar kon dat niet geloven. Zoiets als een toegangsweg naar Rome ensceneren, auto voor auto, incident voor incident, en daar dan met een camera doorheen rijden dat was krankzinnig.

Maar het was ook een uitspraak over 'kunst en werkelijkheid'. Voor Fellini was datgene wat hij filmde een werkelijkheid naast de werkelijkheid, één die niet alleen heviger was, maar ook echter. Het heeft natuurlijk iets tirannieks, om niet te zeggen: Wagneriaans en despotisch, maar het raadselachtige was dat al deze ontzagwekkende evenwijdige werelden werden opgetrokken om ons ten slotte steeds maar één beeld voor ogen te toveren. Een immense crucifix die per helicopter boven de stad zweeft. Een pauw (in Amarcord) die in de sneeuw neerstrijkt op een plein. Een groepje oude mannen die in grote ernst een concert geven voor halfgevulde wijnglazen waar je voorzichtig met je vinger over moet strijken (E la nave va).

    • Willem Jan Otten