Zo burlesk, zo ironisch; AMARCORD

NRC Handelsblad vroeg Theo van Gogh, Willem Breuker, Marlene Dumas, Fons Rademakers, Willem Jan Otten en Joyce Roodnat naar hun eerste ervaringen met een Fellini-film. Fons Rademakers en Willem Breuker gaven die telefonisch door, de anderen schreven erover.

Onlangs sprak ik journaliste Rosita Steenbeek die nog even naar het Romeinse ziekenhuis Umberto 1 is geweest om de laatste rochel van Frederico Fellini in haar komende roman te kunnen beschrijven. Hoewel ik haar ontroering om geparfumeerde lijken deel en het enthousiasme waarmee zij verslag deed van het toedienen der laatste sacramenten - die als wonderolie in de stervende regisseur werden gegoten - mij bijkans katholiek deed worden, dwaalden m'n gedachten af naar die eerste keer dat ik een Fellini zag. De film heette Amarcord. Het meisje dat ik bij me had Anne-Berdien.

“Weet je zeker dat dit een leuke film is?” zei Anne-Berdien met primme blik op de affiche in Kriterions vitrine.

“Heb jij nog nooit van Fellini gehoord?” vroeg ik ongelovig.

“Jij wel?”

“Doe niet zo belàchelijk...”

“Heb jij wel 'ns een film van 'm gezien?”

“Allemaal.”

“En deze?”

“Dit is de beste.”

God knipoogt niet vaak naar een bluffende verliefde, maar deze keer liet Hij me niet zitten. Amarcord was de mooiste film die ik ooit had gezien. En al bedacht ik om de week een film met dat predikaat, een béétje waar klonk 't me nu wel. Dat kwam allereerst door de muziek; heeft die ooit weemoediger geklonken dan in Amarcord? Dan waren er de vrouwen. Je zag een sigarettenverkoopster met tieten zo groot als je ze nog nooit had gezien. Je zag Volpina, de dorpsnymfomane die tussen de bunkers door schuifelde op het strand, op jacht naar de volgende, want 'm'n poesje is koud'. De wiskundelerares was een tijgerin. En Gradisca was de vamp die de Prins verleidde in het Grand-hotel, maar later in de film vroeg: “Weet je wel hoe oud ik ben?”

“Verbaas me,” grijnsde een man: “Drieënvijftig?”

“Nòg ouder,” zei ze verdrietig: “Dertig. En 't lukt maar niet om Hem te vinden.”

En ze huilde omdat 't altijd misging tussen haar en de mannen: “Ik vind gevoelens nu eenmaal heel belangrijk...”

“Mannen zijn allemaal klootzakken,” troostte een meisje en nam Gradisca in haar armen. Tot mijn eigen verbazing vond ik dit alles niet belachelijk. Anne- Berdien naast mij, die in het donker van de bioscoop gewend was aan mijn tastende hand, zuchtte ondertussen alsof ik haar ernstig in de steek liet.

De mooiste scène was die met Oom Teo. Een lange, magere man wiens naam maar één H met de mijne scheelde, wordt door de familie Fellini uit het gesticht gehaald voor een tochtje in een open koets; een verstrooide dichter die vergeet z'n gulp open te doen als-ie plassen moet. De velden zinderen van de hitte als Pappa en Mamma hun tukje doen. Alles is vredig, maar dan zit Oom Teo in de boom, roepend: “Ik wil een vrouw!”

“Begrijpelijk”, zegt Opa: “Hij is nu drieënveertig.”

Oom Teo zal vijf uur blijven vragen om een vrouw, onderwijl stenen gooiend naar wie hem omlaag wil halen. Dan komt de verpleegster uit het gesticht, een mini-non met een stem als prikkeldraad: “Jij met die misselijke spelletjes altijd...”

En Oom Teo klimt de trap af, de boom uit, gedwee als een kind. Toen het licht aanging, keek ik Anne-Berdien plechtig in de ogen: “Ik wil een vrouw.”

Ze gaapte: “Zoek maar een dwerg.”

Tussen ons is 't niet meer goed gekomen.

    • Theo van Gogh