'Wijzig sociaal stelsel radicaal'

UTRECHT, 1 NOV. De problemen met het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid zijn zo groot, dat niet meer volstaan kan worden met aanpassing op onderdelen. Niet revisie, maar radicale verandering is noodzakelijk.

Deze stelling betrok dr. P.J. van Wijngaarden vanmiddag in zijn rede bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar 'Vraagstukken van sociale zekerheid'. Deze nieuwe leerstoel is ingesteld door het Nederlandse Genootschap voor Sociale Zekerheid en ondergebracht bij de faculteit sociale wetenschappen van de Rijkuniversiteit in Utrecht.

Het genootschap is een voornaam gezelschap van bestuurders, uitvoerders en wetenschappers in de sociale zekerheid. Veel leden zijn nauw betrokken bij de niet aflatende stroom van ideeën en plannen voor reparatie van bestaande sociale regelingen. Maar voor al hun goed bedoelde inspanningen heeft Van Wijngaarden een verrassende oorvijg in petto: “Het zet allemaal vreselijk weinig zoden aan de dijk”, zegt hij in een toelichting op zijn oratie.

Van Wijngaarden ergert zich aan het actuele gesleutel aan de ziektekosten en de arbeidsongeschiktheid, aan de regelingen voor werklozen en nabestaanden, aan de herinrichting van de Algemene bijstandswet, aan de uitvoeringsorganisatie, aan fraude en oneigenlijk gebruik. Het betreft volgens hem veelal lapmiddelen: ze bieden geen echte oplossingen voor de lange termijn en brengen zeker niet de lang beloofde rust aan het uitkeringsfront. Ook de recente rapporten van de commissie-Buurmeijer (over de werknemersverzekeringen) en de commissie-Van der Zwan (over de bijstand) vinden geen genade in zijn ogen. De eerste gaat hem “lang niet ver genoeg” en de tweede levert “geen zinvolle bijdrage”.

De kersverse hoogleraar schetst een dramatisch beeld van de Nederlandse sociale zekerheid. Het huidige stelsel staat op instorten: “Het wordt onbetaalbaar, het is onbeheersbaar, het is maatschappelijk verouderd en het biedt niet de beoogde bestaanszekerheid. In alle regelingen zie je erosie van het minimum.”

De analyses die tot dusver zijn gemaakt lijden volgens Van Wijngaarden allemaal aan hetzelfde euvel: ze zijn eenzijdig gericht op één probleem (bij voorbeeld de onbetaalbaarheid), één oorzaak (bij voorbeeld de hoogte van de uitkering of de organisatie van de uitvoering) of één oplossing (bij voorbeeld het vergroten van financiële prikkels). De samenhang is zoek, een integrale visie ontbreekt. Dat is volgens hem des temeer verontrustend omdat de problemen alleen al door bijna autonome ontwikkelingen - individualisering en flexibilisering op de arbeidsmarkt, internationalisering van de economie en vergrijzing - dreigen te verergeren.

Bij de aangedragen oplossingen is het volgens Van Wijngaarden van hetzelfde laken een pak. Hij onderscheidt vier 'oplossingsstrategieën': bevordering van de arbeidsparticipatie, preventie, privatisering en basisinkomen. Ze bieden alle vier interessante aanknopingspunten, maar ook niet meer dan dat, omdat andermaal enige samenhang ontbreekt, concludeert hij.

Neem de discussie over de arbeidsparticipatie. Die heeft volgens Van Wijngaarden weliswaar een belangrijke verandering teweeggebracht, doordat de 'zorgideologie' (accent op goede uitkeringen) is vervangen door een 'activeringsideologie' (accent op arbeidsparticipatie, verantwoordelijkheid, plichten en prikkels), waarvoor in betrekkelijk korte tijd brede maatschappelijke en politieke steun kwam. Maar een essentiële voorwaarde voor een hogere arbeidsparticipatie is door vrijwel alle pleitbezorgers schromelijk onderschat, oordeelt Van Wijngaarden. “Er is een structureel en groeiend tekort aan banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Wat schiet je op met bevordering van de arbeidsparticipatie als die banen er niet zijn?”

Wie zo fel van leer trekt tegen 'revisionisten' in de sociale zekerheid, krijgt onherroepelijk de vraag teruggekaatst: Hoe moet het dan? Van Wijngaarden gaat het antwoord niet uit de weg. In zijn oratie schetst hij de contouren van een nieuw stelsel voor een 'activerende verzorgingsstaat' waarin “de overlegeconomie terugtreedt voor meer overheid en wat meer markt”. Kern is dat tegenover het recht op arbeid en inkomen de plicht tot arbeid en voorzien in eigen onderhoud staat.

Meest omstreden is het recht op arbeid en het bijbehorende streven naar volledige werkgelegenheid. Dit laatste behoort volgens Van Wijngaarden recht overeind te blijven. Hij distantieert zich nadrukkelijk van de PvdA-ideologen De Beus en Van Dam, mede-opstellers van het ontwerp-verkiezingsprogramma van de sociaal-democraten, die recentelijk vraagtekens plaatsten bij deze doelstelling van sociaal-economisch beleid. Wel erkent hij dat de plicht tot arbeid niet onvoorwaardelijk kan gelden. “Je kunt niet tot alle soorten arbeid gedwongen worden. Belangrijke criteria zijn dat het menswaardig werk betreft en dat het zelfrespect geeft.”

Banen moeten er volgens Van Wijngaarden genoeg te vinden zijn. Nederland heeft in vergelijking met andere landen weinig werkgelegenheid in de marktsector, in arbeidsintensieve sectoren (handel, horeca, schoonmaak en persoonlijke dienstverlening) en in laag betaalde banen. “Onze winst in werkgelegenheid zit in de binnenlandse markt. De koffiejuffrouw en de tramconducteur die te duur waren geworden kunnen terugkomen. Onderhoud en reparatie kunnen weer lonend worden. Het maakt niet uit of er één, twee of drie miljard Chinezen zijn die het goedkoper doen, want dit soort dienstverlening moet hier plaatsvinden.” Historisch gezien acht hij het onwaarschijnlijk dat er voor iedereen een volledige baan beschikbaar kan komen. Maar dat hoeft ook niet als het recht op en de plicht tot arbeid èn inkomen maar ten minste op minimumniveau gelden.

Van Wijngaardens stelsel is “bij introductie niet duurder en op den duur wordt het een stuk goedkoper dan het huidige stelsel”, voorspelt de ontwerper. Zijn stelsel kent vier regelingen. De eerste garandeert iedereen een 'wettelijk burgerschapsinkomen' (maximaal 500 gulden netto per maand) als tegenprestatie voor de plicht tot maatschappelijk nuttige activiteiten. De tweede regeling (het 'basisparticipatiestelsel') voorziet in een burgerschapsrecht op arbeid en inkomen om maatschappelijke participatie en bestaanszekerheid te garanderen. Dit vergt behalve halvering van het minimumloon en wettelijke erkenning van het recht op deeltijdarbeid, een brede strategie om werkgelegenheid te creëren, waarbij werkgevers en overheid worden gestimuleerd tot meer sociaal ondernemerschap. De derde regeling omvat één wettelijke 'algemene basisverzekering' voor inkomensderving door werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid tot aan het niveau van het individuele sociale minimum. Sluitstuk vormt een 'vrijwillige inkomen dervingsverzekering' tegen bovenminimale loonderving.

De radicale ingrepen moeten en kunnen, daarvan is Van Wijnbergen overtuigd. Somberder is hij over de vraag of Nederland het ook wil. “De noodzakelijke keuzes worden niet gemaakt. Niet door de politiek, noch door de werkgevers en de vakbeweging. Alles wat zou moeten smoort in tegenwerking van deelbelangen.”

    • Joop Meijnen