Wereldrecord pijproken met vijf seconden verbeterd

Opgelucht applaus in congrescentrum De Leeuwenhorst te Noordwijkerhout. Zojuist heeft Claudio Gavicchi de laatste rook uit zijn pijp geperst. De klok wijst drie uur, negen minuten en drie seconden. Het uit 1984 daterende wereldrecord pijproken van de eerder die middag uitgeschakelde Zwitser Pierre Müller is met vijf seconden overtroffen. Drie uur roken met drie gram tabak. Noordwijkerhout schrijft historie in de annalen van het 'Comité International de Pipe Club (CIPC)', gisteren samen met de Nederlandse Stichting Pijp organisator van de Pipe World Cup.

Ontspannen poseren de oude wereldrecordhouder en de nieuwe kampioen voor de fotografen. Handen worden geschud, pijpen wisselen van mondhoek en nieuwe tabaksoorten worden met een nieuwsgierige neus welkom gesnoven. Tevreden stoppen de 230 verliezers van het kampioenschap een kopje. Een aroma van ontelbare sauzen geeft het steriele congrescentrum een geur die hoort bij een huis met een knetterende haard en een heer in een Chesterfield. Pijproken blijft een mannenspel, de inschrijving van 28 vrouwelijke deelnemers doet daar niets aan af.

Politiek heeft de pijproker voor hete vuren gestaan. Pijprookclubs ontstonden in de zestiende eeuw om een front te maken tegen apothekers die woekerprijzen vroegen voor de als geneeskrachtig bekend staande tabak. In de Victorian Age bloeiden de Pipe Clubs wederom op vanwege Hare Majesteits verbod op roken in koninklijke gelegenheden, een verbod dat in 1901 overigens onmiddellijk werd opgeheven na de troonsbestijging door de kettingrokende Edward VI.

Ook nu wordt roken weer gezien als politiek niet correct gedrag. “We worden harder aangepakt dan wie ook”, klaagt stichtingvoorzitter Hans van den Reydt. Waar in vliegtuigen en restaurants nog ruimte wordt gereserveerd voor penetrante peukenpuffers, voelen honderdvijftigduizend Nederlandse pijprokers zich achtergesteld.

Pijprokers zijn geen roerig volk, maar evenementen als de jaarlijkse Pijprookdag en het WK worden gevierd als bevrijdingsdagen. Wie hier geen smeulende lat tussen de lippen heeft, voelt zich als een naaktdanser op een gekostumeerd bal. Op de bestuurstafel liggen de etuis met de pijpen van de officials pontificaal uitgestald. Barney Susuki, de Japanse vice-voorzitter van het CIPC, steekt een prestigieuze Dunhill op, herkenbaar aan een minuscuul rond wit beeldmerkje dat maximale budgettaire ruimte bij de bezitter verraadt.

De betere pijproker is een collectioneur. Hij bezit tientallen pijpen, waarvan slechts eentiende favoriet is. Zo loopt de voorzitter van de Stichting Pijp geen tabakszaak voorbij zonder een exemplaar aan zijn respectabele aantal van honderdvijftig toe te voegen. De bejaarde kampioen Müller - naar eigen zeggen 66 and still smoking - heeft er thuis vierhonderd in het rek staan.

Hoewel pijptabak relatief voordelig is, vergt een volwassen collectie pijpen financiële spankracht. Een beetje houten pijp kost honderd gulden, een Dunhill begint bij het vijfvoudige. Die offers worden gevraagd voor de minimaal 25 jaar oude wortel van de niet kunstmatig te kweken bruyère, een heidestruik die alleen voorkomt in het Middellandse-zeegebied en die wordt verwerkt in St. Claud, een plaatsje in de Jura dat met twintig fabrieken geldt als het centrum van het pijpenmakersgilde. Bij toeval werd de grondstof in 1855 ontdekt toen een Bonapartist op bedevaart zijn pijp van meerschuim brak. Een Corsicaanse boer sneed een alternatief uit bruyère-hout.

De pijproker voelt zich de aristocraat onder de nicotine-verslaafden. Vanzelfsprekend worden gebruikers van sigaren, sigaretten en zeker zware shag behandeld met de zuinige blik van de vinoloog die een fles van het AH Huismerk tegen het licht houdt. Sigaretten-rokers zijn verslaafd, zegt een deelnemer met een gelaat waar het comfort vanaf straalt. Pijproken is geen gulzige verslaving, maar genieten. Iets voor tevreden mensen die de tijd nemen om na te denken.

In Nederland en Engeland mag de pijp het intellectuele rooksignaal van de hoogleraar zijn en van Harry Mulisch zijn, elders zetten ook eenvoudige handwerkslieden het zwarte gevulcaniseerde rubberen mondstuk aan de lippen. Zo ook de nieuwe kampioen Gavicchi, een Noorditaliaanse boer die zijn akkers verliet om zich op de wedstrijd voor te bereiden. De Italianen gingen een week in trainingskamp om speltechnieken door te nemen. De verstrekte drie gram Amphora Red-wedstrijdtabak beloofde nogal rauw op de tong te liggen. Vergde dat fijn gemalen of juist in een bolletje in de pijpekop te worden gestopt? Lag de wedstrijdpijp van de Limburgse fabrikant Gubbels & Zonen met een lengte van vijftien centimeter en een kopdoorsnede van 19 millimeter de Turijnen wel stevig genoeg tussen de kaken? En dwong de tochtige wedstrijd-arena in Noordwijkerhout niet tot agressief inhaleren, om afsterven van het gloeiende kopje te voorkomen?

Uiteindelijk, verzekert de onttroonde kampioen Pierre Müller, is de Italiaanse superioriteit terug te voeren op maniakale precisie en uithoudingsvermogen. Een ware kampioen beheerst de kunst van het niet-roken. Een vuurtje ter grootte van een speldeknop wordt brandend gehouden en verhuist gedurende de wedstrijd door de pijpekop om alle tabak te verbranden. Met de houten stamper wordt as afgevoerd, zodat de pijp niet stikt. Na twee uur, als hooguit nog tien deelnemers in het spel zijn, wordt de wedstrijd-pijproker eenzaam als de marathonloper. De woorden waarmee CIPC-voorzitter Geert Derkse het startschot begeleidde, gieren onhoorbaar door de zaal: “Its just you, your pipe and your tobacco.”

De beste Nederlander aan het Wereldkampioenschap Pijproken voor Clubteams moest zijn Big Ben-pijp en stopper na 2 uur en 18 minuten aan de wedstrijdleiding overdragen. Het ging om een lid van het 'Knoalster Pieprookersgilde 't Schavotpiepke' uit Veendam. Samen met bijna tweehonderd deelnemers uit de veertien Nederlandse pijprookclubs, van 'De Gesellighe Dampkring' uit Purmerend via 'Het Dordtsche'- tot 'Het Brabantsch Pijproockersgilde', waren ze uitgekomen in een speelveld van 234 deelnemers uit dertien landen. Basken, Belgen en Denen waren te sterk gebleken. Polen en Tsjechen puften nog niet professioneel, en één Scandinaviër zag een reis van tweeduizend kilometer door een onhandige start al na enkele minuten gesmoord in speeksel. Ook Jan Sint Nicolaas, de troef van 'Het Dordtsche Pijproockergilde' en viervoudig kampioen in het roken van stenen pijpen, was na 75 minuten mopperend weggewandeld.

Trotser kunnen de Hollanders zijn op hun verleden en hun bestuurlijke inbreng. Al in 1952 leverde Purmerend een kampioen af en in de persoon van Geert Derkse beschikt de natie over een pijprook-bobo van formaat. Stimulansen die de Nederlandse wedstrijd-rokers een hart onder de riem steken, want de situatie aan gene zijde van het mondstuk is zorgwekkend. Nationaal recordhouder F. van der Schaaf laat al enige tijd verstek gaan op de Europese velden. Van der Schaaf haalde ooit 2.30,03, maar werd twee jaar geleden wegens fraude uitgesloten. De kampioen beschikte over een even opvallende als misleidende speltechniek, waarmee hij zelfs oplettende juryleden om de tuin wist te leiden. Met een wijds gebaar van de rechterarm placht Van der Schaaf zijn stopper te pakken, terwijl hij met zijn linkerhand voorzichtig wat tabakskorrels uit zijn zak graaide om ze slinks in zijn pijp te frommelen. Fraude was nooit onmogelijk, gezien de 54 strenge regels die het wedstrijdreglement van de CIPC stelt.

Dat fanatieke Italianen tanden laten afslijpen voor een goede greep op de steel, tabak onder de nagels verzamelen en neusvleugels oefenen om ongezien van boven in de pijp te kunnen blazen, is in pijprokerskringen al bijna geaccepteerd als culturele onhebbelijkheid. Maar dat een vertegenwoordiger uit zo'n net land een dergelijke faux pas beging was een schok die de Stichting Pijp moeilijk te boven kwam. Bovendien was binnenskamers de beslissing al genomen om Van der Schaaf tot pijproker van het jaar 1991 te huldigen. Een onderscheiding die pijp-personality's als prins Bernhard, Jos van Kemenade, André van der Louw, Wim Mateman, Ralph Inbar en Rien Poortvliet eerder te beurt viel, kon men moeilijk uitreiken aan een charlatan.

Zo kwam de stichting te elfder ure met de nominatie van haar eigen voorzitter: Geert Derkse. Een testimonium paupertatis, erkent ook Derkse gegeneerd. “Maar anders hadden we in 1991 geen pijproker van het jaar gehad.” Liever richt de parttime leraar levensbeschouwing zijn aandacht op de expansie van de pijprookfederatie. Zo is een belangrijk pijprookland als de Verenigde Staten geen lid. De Amerikanen conformeren zich niet aan het keurslijf van Europese regels. Men prefereert een eigen pijp boven een uniforme wedstrijdpijp, bovendien wordt er in de Nieuwe Wereld gestreden met 3,3 in plaats van drie gram tabak. Ogenschijnlijk futiele strijdpunten, maar voor de pijproker een wereld van verschil.

    • Jort Kelder